Verblijf op Aarde
Met de pacemaker op stap

 
 
 
 
   

Klik hier om het hoofdstuk over de moeilijke implantatie te lezen.



 





































































































Hier wordt vlak onder het linker sleutelbeen een incisie gemaakt waar de pacemaker wordt ingebracht.









































































Hier ligt hij dan, bij kennis en met een camera boven zich waardoor de cardioloog kan kijken wat hij doet.


























































































































































































































Een Röntgenopname op 2 april 2007, een dag na de implantatie, moet zekerheid verschaft worden of de draden wel goed gepositioneerd zijn. Dat bleek gelukkig het geval.






































































































































































































































































































 





























































































































































 

Het hoofdstuk van de hersteloperatie tussen twee ribben door op een kloppend hart.

 Implantatie pulsgenerator met bijbehorend elektrisch vermogen

Op de dag van de operatie wordt ik tegen achten wakker als het buiten grijs en druilerig is. Kan me ook weinig schelen want een groot deel van de dag gaat aan mij voorbij. Mijn kamergenoot wordt al om kwart voor negen weggehaald. Hij krijgt een echte icd voor alleen hartritmestoornissen, terwijl dat bij mij juist omgekeerd is. Ik krijg een pacemaker, en de toegevoegde icd-functie om hartritmestoornissen te vermijden is een extra uit preventieve overwegingen.
Vanochtend uitgebreide visite. Een hele stoet witjassen komt de kamer binnen. Ze lopen door naar mijn bed, immers mijn kamergenoot is reeds verdwenen. De hoogste autoriteit vraagt hoe het met mij gaat nu ik vanochtend geholpen ga worden. Ik zeg de goede man dat ik erg zenuwachtig en erg bang ben. Hij kijkt langs de rij witjassen en zegt dan beslist:

“Mijnheer Janssen, hij is er nu niet bij, dus ik kan het gemakkelijk zeggen. U heeft vanochtend de beste van ons.”
Ik voel mij verlegen, maar bedank hem voor deze riem onder het hart. En als het gezelschap, dat vanochtend maar even geweest is, wegloopt, komt een verpleegkundige mij de medicatie brengen. Ik zie dat de plaspil Bumetanide ontbreekt en ik vraag om opheldering.
“Die krijgt u later mijnheer Janssen, anders krijgt u tijdens de operatie teveel aandrang.”
Daar zat wat in. Goed dat men daar toch aan denkt. Met een slokje water neem ik de andere medicijnen in, waarbij een valium voor vandaag. Nieuw was bovendien de verstrekking van Adelat Oros die eerder deze week door een ander middel vervangen was, omdat daaraan de voorkeur werd gegeven. Merkwaardig!
“Gaat u na de inname van de medicijnen wel direct douchen, want anders zwabbert u teveel door die valium,” voegde ze er veelbetekenend aan toe.

Nou dat zal wel meevallen, maar in dat douchen had ik nou net niet veel zin na die waspartijen van gisteren. En bovendien vergeet ze kennelijk mij te melden dat ik dat desinfecterend middel moet gebruiken dat ik ook gisteravond moest gebruiken. Dus ik was bang dat ik weer ongedaan zou maken wat ik gisteravond met zoveel moeite tot stand heb gebracht. Als ze straks na het bed opmaken de kamer verlaat ga ik me gewoon even wat opfrissen zoals ik dat meestal doe. Als ze zover is zegt ze op kordate toon tegen mij: “Kijk eens, hier heeft u twee washandjes en twee handdoeken. U kunt aan de slag,” en ze stopt me het spul in mijn handen. Ik wordt als het ware naar de badkamer gedirigeerd.
In de badkamer zag ik dat mijn kamergenoot de doucheruimte niet gebruikt had. Op de vloer was geen druppel water te bekennen. Hij krijgt dezelfde ingreep als ik, dus waarom moet ik mij douchen met al die slangen aan mijn lijf en hij niet. Ik maak een laatste gebruik van het toilet dat de afgelopen dagen zeer gefrequenteerd door mij werd gebruikt vanwege mijn angstcomplex.
Ik douche me niet, maar fris me wel wat op en maak allebei de handdoeken en washandjes behoorlijk nat en gooi ze op de grond en laat de douchekraan even lopen zodat er geen enkele verdenking kan rijzen dat ik mij onttrokken heb aan de huisregel, die voor mij door deze willekeurige toepassing, als arbitrair wordt ervaren.
Terug op de kamer staat een andere wat vriendelijker verpleegkundige mij op te wachten om bij mij een infuusnaald aan de rechter onderarm ter hoogte van de pols in te brengen. Maar ik wordt er even geschoren alvorens ze de naald hanteert. Op mijn vraag waarom ze deze plek schoon scheert antwoordt ze mij dat op die manier de pleisters straks gemakkelijk en pijnloos verwijdert kunnen worden. Ze heeft helemaal gelijk, maar waarom gebeurde dat niet bij mijn hartinfarct in 1993 of bij mijn moeder, of bij al die miljoenen andere mensen waar eeuwenlang de haren met pleister en al werden weggetrokken. Zo simpel eigenlijk.
Ze doet een manchet om de infuusnaald waar straks een verdovend middel en eventuele andere zaken zullen worden ingebracht en zegt tegen een meekijkende geneeskundestudent dat ze even moest doorprikken vanwege mijn harde en stugge huid. Had ik nog niet eens in de gaten gehad. Maar ze is er zeer geroutineerd in en terwijl ik nog steeds een andere kant opkijk is ze binnen een minuut klaar en ligt deze mijnheer te wachten op een spannende dag. Ik neem nog een klein slokje water vanwege mijn droge mond. Ik ben immers vanaf twaalf uur vannacht nuchter. Ik ben klaar, ze kunnen me wegbrengen.

Kwart over tien wordt ik door twee afdelingsverpleegkundigen de katheterisatiekamer binnengereden. Hier zal de ingreep plaatsvinden en niet op de ok (operatiekamer), wat velen zullen denken. Op de katheterisatiekamer staat specifieke apparatuur, die bij hartkatheterisatie, dotteren bij het hart of in de benen, nodig is. En omdat bij het plaatsen van een icd of pacemaker men gebruik moet maken van een met een katheter in te spuiten contrastvloeistof die de opererend cardioloog beelden van het hart en zijn omgeving laat zien, is het noodzakelijk deze behandelingsruimte daarvoor te gebruiken in de plaats van een ok.
Er staat voor mij een comité van ontvangst klaar dat zich vandaag geheel in het groen gestoken heeft. Het is de cardioloog, die de implantatie zal uitvoeren, een operatieassistente, een verpleegkundige, een technicus van het umc in verband met het regelen en afstemmen van de software en een technicus van Guidant, de leverancier van het apparaat dat de kwaliteit van mijn leven moet verbeteren en moet voorkomen dat ik bij acute hartstilstand de pijp uitga.
De dames en heren hebben er zin in, hetgeen je van mij, die met een betraand gezicht is binnengebracht niet kan zeggen. Ik ben behoorlijk gespannen en zeer geëmotioneerd. Ik wou dat het achter de rug was. De cardioloog doet mij een voorstel: “Ik kom lekker naast u liggen om te troosten, of ik ga u opereren”, in een poging het wat luchtiger te maken.
“Opereren dan maar,” breng ik stotterend uit en droog mijn gezicht af met het vaste voornemen geen traan meer te laten, want ik begrijp dat ik straks niet meer met mijn hand bij mijn gezicht kan. Het telemetriekastje en de bedrading dat al dagen als een last om mijn nek hangt gaat van mijn lijf af, evenals pyjamabroek en onderbroek. Het blijft op het bed achter terwijl ik overstap op het supersmalle en voor de patiënt weinig ergometrisch ingerichte operatiebed. Ik lig er zoals ik dik 66 jaar geleden hier aankwam.
De operatieassistent en de verpleegkundige concentreren zich op mij in de voorbereiding naar de implantatie. De heren nemen verbaal de ingreep door waarbij het gebruikte jargon een groot deel van de communicatie onttrekt aan mijn bevattingsvermogen. In no time hebben de vrouwen mijn Aardse lichaam voorzien van maar liefst 23 bedradingen, die straks de behandelaars allerlei mogelijke gegevens over uiteenlopende functies moeten verschaffen.
Aangezien de implantatie bij mijn linkerschouder en onder het sleutelbeen zal plaats hebben, wordt van mij verwacht dat ik het hoofd helemaal naar rechts draai en voorlopig niet praat aangezien de linker bovenkant van mijn borst met een vloeistof gedesinfecteerd wordt. Als dat is gebeurd wordt het operatiegebied, om te beginnen direct onder mijn kin, afgeplakt en afgeschermd met doeken zodat ik niets van het gebeuren kan zien, als ik dat al wilde. Als men daarmee gereed is mag ik weer praten. Mijn armen worden strak langs mijn lichaam vastgebonden en het infuus wordt aangesloten. Het vastbinden van de armen is noodzakelijk om te voorkomen dat straks bij de tests, die wel onder een lichte narcose zullen worden uitgevoerd, ik met de armen wildzwaaiende gebaren ga maken. Dat zou voor de geïmplanteerde draden, die maanden nodig hebben om zich in de vaten en aan het hart te nestelen, desastreus zijn.
Voordat de cardioloog in mijn linker lies een verdoving zal aanbrengen op de plaats waar dadelijk de katheter naar het hart zal worden opgeschoven, krijg ik een onbedwingbare jeuk aan mijn neus. Ik kan niks bewegen en het operatiebed wordt in een strategische positie ten opzichte van de uitleesapparatuur gebracht. Ik kan niet anders dan de verpleegkundige te vragen mij van die jeuk te verlossen. Jeuk aan je neus, juist op dit moment. Ik heb dat wel vaker.

“Het is kwart voor elf, dames en heren. We gaan opereren,” zo kondigt cardioloog Meine opgewekt aan. Een grote doek wordt over de rest van mijn lichaam gelegd, de aanwezigen kiezen positie en de cardioloog gaat naar mijn linker lies waar hij een verdovingsprikje toedient om luttele seconden later een kleine incisie te maken voor de katheter die via een ader naar het hart wordt opgeschoven. Al vrij snel wordt er in deze katheter in de buurt van het hart contrastvloeistof ingespoten waardoor het mogelijk is het hart en de bloedvaten in de omgeving zichtbaar te krijgen. Ook wordt deze katheter gebruikt om met behulp van een in de katheter liggende draad de druk in het hart te meten.
Aan de onderlinge uitwisseling merk ik, zonder dat ik de letterlijke betekenis kan bevatten van deze beroepscommunicatie, dat men prima zicht heeft. Op vlotte toon bespreken de heren welke versie van de icd met pacemakerfunctie het meest in aanmerking komt en welke bedrading de cardioloog onder handbereik wil hebben. Men spreekt eenzelfde taal en dokter Meine en de ziekenhuistechnicus verstaan de Guidant technicus uitstekend. Ze kennen alle hulpmiddelen en onderdelen blindelings uit hun hoofd, hetgeen mij een prettig gevoel geeft. Gaandeweg stralen ze deskundigheid uit en er klinkt geen enkele twijfel in hun stem. Dat is goed voor mijn vertrouwen en het tempert mijn onrust en angst. Aan de andere kant ben ik toch enigszins ongerust omdat mijn linkerschouder nog steeds niet lokaal verdoofd is en ik knijp hem omdat hij daar straks begint te snijden zonder verdoving te hebben aangebracht. Maar ze nemen even de tijd om de stappen door te nemen die zo meteen na de verdoving volgen. Wat ik begrijp is dat om te beginnen onderhuids een zakje wordt gemaakt de pocket genoemd, waar de ingebouwde ‘pulsgenerator’, zoals de deskundigen de icd noemen, in opgeborgen wordt. Het apparaat komt dus te zitten aan de onderzijde van het linkersleutelbeen, onder de huid en bindweefsel en boven de borstspier. Dit wordt de pectorale implantatie genoemd. Daarna zal eerst de defibrillatordraad naar het hart worden opgeschoven om aan de rechterzijde in de boezem een plek te krijgen gevolgd door een tweede draad en door de pacemakerdraad.
De ingreep voor het implanteren van een pacemaker is in de loop der jaren sterk vereenvoudigd en duurt volgens verschillende brochures van de Harststichting en academische centra tussen de één en twee uur. Volgens de internetsite van Guidant duurt het in de meeste gevallen niet langer dan ongeveer een uur. Dat moet te overbruggen zijn met verdoving en ‘rustgevers’. Maar gisterenavond, tijdens het gesprek met Ellen en mij maakte de cardioloog  nadrukkelijk een duidelijk voorbehoud. De cardioloog maakt een eind aan mijn gemijmer en kondigt aan met een drietal prikken het operatiegebied te verdoven. Ze doen uiteraard pijn en veroorzaken een onaangenaam branderig gevoel. Een andere verdoving die als nog pijnlijker wordt aangekondigd is die bij het sleutelbeen. Maar die valt mij nou juist weer mee. Er is nog geen minuut verstreken of de incisie wordt gemaakt. Ik zie het niet, maar voel het wel, echter zonder pijn. De snee moet in ieder geval zo lang zijn dat hij er ruimte in kan maken voor het levensreddende apparaat. En wat niet meevalt is dat pijnlijke gewurm en geduw om dat ding op de juiste plek te krijgen. Ik vraag me af hoe dat toch kan als je zo goed verdoofd bent, maar ik geef geen kik. Ik begrijp dat hij besloten heeft om het niet achter de borstspier te bevestigen, maar onderhuids zoals hij gisteravond heeft uitgelegd. Zonder klagerig over te komen laat ik wel weten dat dit bij vier verdovingsspuiten toch een beetje pijnlijk is. Zachtjes vraag ik aan een verpleegkundige of er iets bijgezet kan worden. Later hoor ik van ander pacemakerdragers dat zij hetzelfde hebben ervaren.

Dit zijn voor mij momenten dat ik teleurgesteld bent dat het niet onder narcose gebeurd. Ik heb dit voorzien en ik wilde dit vermijden. Als de pacemaker is aangebracht wordt aan de bedrading (leads noemen de specialisten het) begonnen. Dit is een bezigheid die geen pijn veroorzaakt. Het is ongeveer half twaalf als met behulp van een kleine incisie een ader bij het sleutelbeen wordt aangeprikt en geopend. Daarbij is grote voorzichtigheid geboden omdat voorkomen moet worden dat met deze actie het topje van de long wordt aangeprikt. Dit is één van de zelden optredende complicaties die meestal geneest zonder aanvullende behandeling, zo las ik in de documentatie. Wat bij deze behandeling ook zeer zelden voorkomt is een perforatie van de hartwand waardoor een bloedophoping in het hartzakje ontstaat. Dat kan dan verholpen worden door het vocht te laten afvloeien. Een andere, volgens mij veel minder plezierige complicatie is een ontsteking rond de operatiewond, die zelfs na jaren nog kan optreden Als de huid bij de operatiewond rood en opgezwollen is en pijn doet bij aanraking moet direct met de behandelend cardioloog contact worden opgenomen. En terwijl er rondom mij opgewekt en onder het uitwisselen van relevante gegevens, wordt gewerkt aan de vlotte doorvoer van de eerste draad ten behoeve van de defibrillatorfunctie is dit voor mij kennelijk aanleiding om die risico’s door te nemen. De eerste geleidedraad wordt nu via deze incisie en de sleutelbeenader naar de binnenzijde van de rechterhartkamer opgeschoven. Ik voel hem niet. Merkwaardig. Het uiteinde van deze draad komt daarbij tegen de hartwand te liggen. Als dat zo verder gaat mag ik niet mopperen.
Mijn gedachten dwalen weer af en ik neem bij mezelf nog wat risico’s door die ik in een voorlichtingsfolder tegenkwam. Één van de meest dramatische lijkt me wel de afstotingsverschijnselen. Ook die kunnen, net als infecties, zich nog na vele jaren voordoen. Het is per slot van rekening een vreemd lichaam dat hier wordt binnengesmokkeld. En daarnaast denk ik terug aan wat mijn eigen cardioloog mij meedeelde, dat naast het advies voor een pacemakerfunctie, hij mij ook waarschuwde dat in 25% van de gevallen de pacemaker niet brengt wat de patiënt ervan verwacht. Als Ellen dit hoort krijg ik op mijn lazer, omdat ik aan die doemscenario’s geen voorrang moet verlenen. Maar ik zit niet te fantaseren. Het kan wel werkelijkheid worden. En het is goed om daarmee rekening te houden roep ik altijd terug.
Ik hoor dat men inmiddels begonnen is met de doorvoer van de draad die bestemd is voor op de buitenwand van de linkerkamer. Vanwege mijn hartconditie heb ik een tweekamerpacingsysteem nodig heb, en zal er een extra geleidedraad in de rechterboezem (atrium) van het hart worden geplaatst. Dankzij dit tweekamer-geleidesysteem kan de pulsgenerator het hart bewaken en behandelen op de gebieden waarvan dokter Meine vindt dat deze extra stimulatie nodig hebben. Men heeft dus besloten voorrang te geven aan deze draad en om de tweede draad uit het tweekamerpacingsysteem en die voor het rechteratrium bestemd is, als laatste te nemen.
Dokter Meine heeft al een ader uitgezocht die beneden op de linkerkamer ombuigt naar achteren. Daar wil hij deze draad, die voor de elektrische stimulansen van de linkerkamer moet zorgen, naar toe voeren. Bij een kwart van de patiënten wordt dus niet bereikt wat men eigenlijk beoogd. Dat is en blijft een erg groot risico, ook al heb ik van harte ingestemd met deze operatie.
Het is betrekkelijk stil geworden in de hartkatheterisatiekamer. De conversatie is duidelijk een aantal decibellen lager en de communicatie tussen cardioloog en technici bestaat niet meer uit voldragen zinnen. Op een gegeven moment hoor ik uit de mond van notabene dokter Meine, de beste in dit ziekenhuis, en in wie ik al mijn hoop en vertrouwen heb gesteld, voor het eerst het woordje ‘probleem’ over zijn lippen komen.
Ik ben weer superalert en de alarmfase is inmiddels oranje. Dat moeten we toch niet hebben dat de knapste cardioloog van het umc met mij een probleem krijgt. Maar de zenuwen gieren wel al door mijn keel. Aan de medewerker van Guidant die zich vlakbij aan de rechterkant van het operatiebed ophoudt vraag ik of ik wat extra pijnbestrijding mag. Eigenlijk wil ik alsnog weggemaakt worden. Natuurlijk, daar is deze man niet van, maar ik hoop dat de boodschap doorkomt.
Na diverse pogingen de draad op de juiste plek te krijgen voelt de cardioloog zich genoodzaakt de poging te beëindigen en wil een andere katheter, namelijk eentje met aan het uiteinde een bocht. Hij hoopt daarmee de draai naar de zijkant van de linkerkamer te kunnen maken. Het is kwart voor twee geworden en ze zijn nu precies drie uur bezig en ik heb veel last van pijn aan mijn rechter bovenarm die op een moeilijke manier naast mijn lichaam ligt. Boven de elleboog heb ik pijn die aan kramp doet denken. Ook dat heb je niet bij narcose stel ik meesmuilend vast. De operatieverpleegkundige tracht hierin voor mij verlichting te brengen welke slechts van korte duur is, want na een tijdje moet men alsnog op afdoende wijze mijn pijnklachten aan de rechter bovenarm verhelpen. Dat lukt door ter plaatse een soort slee te fabriceren die onder mijn rechterarm geschoven wordt. De pijn verdwijnt dan als sneeuw voor de zon en ik concentreer mij weer op de ingreep. Of dat nou zo gelukkig is betwijfel ik, maar een andere optie is er niet.
Ik wil niet zeggen dat de hernieuwde poging met de katheter met een bocht die met veel, weliswaar onderdrukkend gezucht gepaard gaat, gladjes verloopt. Integendeel, deze nieuwe poging verloopt ook moeizaam. Zonder dat ik enige lichaamstaal kan ervaren merk ik dat overduidelijk aan de minzame communicatie, de toon en ademhaling van het team. Ik ben me ervan bewust dat hier het lijdend voorwerp in de letterlijke zin van het woord ligt, dat zich zo goed en zo kwaad als het kan, zich op een smal operatiebed bij elkaar moet zien te houden. Vluchten kan niet meer.

Ik moet het zien uit te houden, maar hoe lang nog? Één troost: er staan geen klungels aan dit bed, maar professionals. Ik probeer mezelf moed in te praten. Ze doen dit niet voor de eerste keer. Maar ze kunnen niet voorkomen dat nu mijn beide billen zwaar beginnen op te spelen. Ik lig al vier uur geheel ontkleed op dit harde onplezierige operatiebed en heb geruime tijd pijn aan mijn billen. Ik probeer hierin verzachting teweeg te brengen door de billen één voor één heel lichtjes los te maken van de harde ondergrond. Het is alsof het bloed met veel vreugde snel zijn weg probeert te vervolgen. Ik realiseer me dat ik deze bewegingen heel voorzichtig moet uitvoeren, want ik wil vooral de cardioloog niet storen met zijn ingewikkelde en minutieuze ingreep. Dat zou ten koste van mezelf gaan. Maar binnen een paar minuten komt de pijn in nog heviger mate terug. “Één voordeel,” zou voetbalprofessor Cruijff zeggen: “deze pijn leidt af van waarvoor ik hier lig.”
Het is niet gelukt de katheter met de bocht op de juiste plaats opgeschoven te krijgen. Omdat gisterenavond de cardioloog bij zijn college aan ons op plastische wijze deze voorziening heeft onderwezen en gedemonstreerd, weet ik precies waar hij mee bezig is en schat ik de ernst van de situatie goed in. Hij voelt zich nu genoodzaakt een andere weg op het hart te zoeken die mogelijk een vergelijkbaar effect zal. Hij overlegt heel kort met de ‘techneuten’, wijzigt zijn aanvalsplan en maakt duidelijk welk materiaal en gereedschap hij daarbij nodig heeft. Ook wordt er nieuwe contrastvloeistof bij gespoten en ik moet er niet aan denken dat ik was doorgegaan met de inname van Metformine. Bovendien realiseer ik me dat mijn operatiewond al die tijd openligt en dat naarmate de tijd verstrijk de kans op een infectie toeneemt. Ik probeer dit doemscenario van een infectieuze operatiewond te verdringen. Eerst deze operatie maar eens zien door te komen.
Dokter Meine brengt nieuw materiaal in en probeert via een ander bloedvat in de buurt van de linkerkamerwand te komen. Gezien mijn positie ben ik niet in staat visueel ook maar iets te volgen. Ik moet voor de stand van zaken afgaan op de spaarzame informatie die op dit moment tussen hem en de technici wordt uitgewisseld. Bij elk woord probeer ik beelden te vormen. Omdat ik door veel te lezen over deze ingreep mij goed geïnformeerd heb, kom ik aan beelden niets te kort. Helaas worden die teveel gevoed door angsten en onzekerheid. De man die ik binnen een paar dagen zo hoog op een voetstuk heb geplaatst hoor ik al voor de derde of vierde keer het woord “probleem” in zijn mond nemen. Ik heb dan ook niet de vrijheid te denken dat hij bedoeld dat alles onder controle is. Het is kwart over drie en ik krijg van de Guidant-medewerker een compliment dat ik het uit hou. Men is al vier en een half uur met mij bezig. Ook de umc-technicus komt aan de rechterzijde langszij om mij voor mijn uithoudingsvermogen te complimenteren. Ik voel me er zeer gevleid onder en ben erdoor verlegen. Ik heb nog niet zo gauw op een rij of ik wel een andere keuze heb. Maar ik ervaar het als een meelevend en vriendelijk gebaar. En ik snap ook wel dat de cardioloog die letterlijk en figuurlijk intensief naar wegen zoekt voor aanhechting van deze moeilijkste draad, niet in de gelegenheid is aan mijn adres een opbeurend verhaaltje af te steken.

Het is vrij stil geworden en ik kan de ademhaling van de aanwezigen horen. Hij moet ongeveer een half uur met deze poging zijn bezig geweest om vervolgens aan zijn technische assistenten om ander katheterisatiemateriaal en dunnere bedrading te vragen. Het aan te boren bloedvat blijkt toch te dun voor de diameter van deze katheter. En terwijl men druk doende is vast te stellen welk materiaal daarvoor in aanmerking zal komen probeer ik nog eens de toenemende pijn in mijn billen te verzachten door herhaalde pogingen even los te komen van het operatiebed. Wat moet narcose toch een gelukzaligmakende optie zijn geweest.
Om de beurt blijven de techneuten mij zacht pratend informeren hoe het gaat en blijven ze complimenten uitdelen. Zolang ik het uit hou hebben zij de gelegenheid tot succes te komen. Af en toe meld men mij wat de cardioloog aan het doen is. In dit precaire stadium worden er ook geen foto’s meer gemaakt. Ik begrijp het. Voor de operatie heb ik de cardioloog gevraagd of er wat foto’s gemaakt zouden kunnen worden. Kennelijk heeft hij geregeld dat de technicus van Guidant dat voor zijn rekening neemt. Maar in dit stadium neem ik geen flitslicht meer waar.
Als ook deze poging op niets uitloopt gaat de cardioloog naar de beginsituatie en probeert met nieuw materiaal en via een ander bloedvat toch weer aan de linkerkant van de linkerkamer te komen. Inmiddels is bij mij de alarmfase al lang op rood gekomen als hij mij vraagt om diep adem te halen, deze even vast te houden en dan weer uit te ademen. Hij schijnt een plek bereikt te hebben welke voor de stimulatie van het hart een goede plaats is, maar die wel vlak langs een belangrijke zenuwbaan ligt. Aanraking van de draad met deze zenuwbaan kan de hik tengevolge hebben. Dat moet dus voorkomen worden. Door flink in te ademen wordt het hart iets vergroot en door een kleine vergroting van het beeldscherm kan hij vrij nauwkeurig vaststellen of de gevonden plaats ten opzichte van de zenuwbaan veilig is. Van inademen, het vasthouden en het uitademen worden foto’s genomen die later nog eens bestudeerd kunnen worden.

Het is vier uur geworden als deze moeilijkste poging slaagt. Iedereen slaakt een zucht van verlichting. Niemand weet hoe blij en opgelucht ik mij voel. Alsof ik opnieuw geboren ben. Ik sla daarmee weer helemaal door, want er moet nog een draad naar binnen. Deze derde draad wordt nu naar het atrium aan de rechterkant opgeschoven. Dat schijnt een peulenschil te zijn in vergelijking met de vorige operatie. Vervolgens worden de geleidebedradingen gecontroleerd en vast gehecht aan de pacemaker en worden er controletests uitgevoerd om te zien of ze de hartsignalen kunnen opvangen. Dat gebeurd door spanningsverschillen in de bedrading op te wekken waarbij ik diep moet in- en uitademen. Daarbij legt de cardioloog zijn handen op mijn lichaam boven op het hart en vraagt de technici de spanning in te stellen 8 volt. Vervolgens wordt de spanning verlaagd naar 7,5 volt en zo steeds verder naar beneden en mij steeds vragend of ik prikkels voel.
Bij de hoogste spanningsverschillen is dat inderdaad het geval. Het is zoiets als een kloppend hart bij grote geestelijke inspanning. En dat wordt steeds minder naarmate hij in de buurt komt van de 2 volt. Als hij hierover zijn goedkeuring kan uitspreken worden alle drie de draden aan het omringende weefsel gehecht zodat ze op hun plaats blijven zitten. Daarna worden ze aangesloten op de pulsgenerator die in het zakje onder het sleutelbeen is geplaatst. Wanneer deze exercitie naar aanleiding van dokter Meine in orde wordt bevonden, wordt ik met een licht roesje weg gemaakt zodat hij een aritmie kan opwekken. Het pacemakersysteem zal dan het ritme behandelen volgens de door de cardioloog ingeprogrammeerde software. Ik voel er uiteraard niets van en als ik na enige minuten weer bijkom gaat de cardioloog aan het naaiwerk beginnen.
Niet in elk hartcentrum wordt de patiënt voor het afstellen van de pacemaker onder narcose gebracht, maar misschien krijgt hij wel medicijnen om te ontspannen. Hoe je de
pacemakerbehandeling ervaart, zal even uniek zijn als je zelf bent. Mensen met een afwijkend hartritme kunnen een ongewoon gevoel krijgen tijdens hun aritmieën, hoewel niet iedereen de aritmieën ook voelt. Het pacemakersysteem zal elektrische prikkels afleveren op basis van de eigen waarneming, ook al voel je geen symptomen. Je zal tijdens de behandeling wel iets voelen. Dit gevoel wordt op vele verschillende manieren omschreven.

·         Anti-tachycardie pacemaker – Je zal waarschijnlijk niet voelen wanneer er stimulerende prikkels naar je hart worden gezonden. Je zult een trilling voelen in de borst. De meeste mensen met een atp-behandeling ervaren dit als pijnloos.

·         Cardioversie – Deze lichte elektrische schokken zijn sterker dan de stimulerende prikkels. De meeste patiënten ervaren cardioversie als lichtelijk oncomfortabel. Het voelt als een klap op de borst.

·         Defibrilleren – Veel patiënten vallen flauw of raken buiten bewustzijn als hun hartritme versnelt na een ventriculaire tachycardie (vt) of na ventrikelfibrilleren (vf). Ze voelen daarom de zwaardere elektrische schokken niet. Patiënten die wel bij bewustzijn waren, omschrijven de schok als een trap tegen de borst. Meestal komt de schok plotseling. Het gevoel duurt slechts een seconde. De meesten ervaren dit als geruststellend, maar sommigen zijn na de therapie toch erg van streek.

·         Bradycardie pacemaker – Dit zijn lichte elektrische prikkels die patiënten meestal niet eens voelen.

Er wordt weer opgelucht gepraat en het is kwart voor vijf als hij de laatste draad hecht. Ik wordt vanuit mijn hachelijke positie bevrijdt door het operatiebed naar de vrije ruimte te verplaatsen en mijn armen los te maken. Er worden ondertussen drukverbanden aangelegd op de operatiewond en het wondje in de lies waar de katheter met de contrastvloeistof werd ingevoerd. Dokter Meine doet zijn operatiehandschoenen uit en complimenteert mij op nadrukkelijke wijze voor mijn uithoudingsvermogen. Hij vindt het zeer kranig hoe ik het doorstaan heb. Ook de anderen, die mij al eerder gecomplimenteerd hebben tijdens de ingreep, sluiten zich daarbij aan. Het lijkt wel een liggende receptie als ze een voor een bij me langskomen. Ik ben er echt verlegen onder en er heerst een uitgelaten stemming onder het operatieteam. Het deed me een beetje denken aan onze eerste vliegreis naar Mallorca toen na de landing een opluchtend applaus voor de bemanning opklonk omdat men blij was de grond weer te voelen. Zoiets dus!
Een dergelijke bejegening had ik niet verwacht en dus gaf ik mijn complimenten aan hen terug omdat juist zij een gigantische prestatie hebben verricht. Ik had zelfs het gevoel dat ze me van de dood hadden gered. Want terwijl hij druk met dat hart bezig was heb ik verscheidene malen aan de dood gevoeld. Ik heb hem en zijn team alle credits gegeven die ze verdienen. En als de cardioloog nogmaals tracht mij te overtuigen hoe kranig ik ben geweest kan ik niet nalaten hem toe te voegen: “Zegt u dat maar aan mijn vrouw.” In het vier pagina’s tellende operatieverslag van de hand van cardioloog Meine lees ik later: “Heel moeilijke en langdurende biv.
pacemaker-implantatie wegens moeilijke cs-venen anatomie en phrnerve stimulatie.” In de uitvoerige brief aan mijn huisarts en mijn cardioloog schreef cardioloog Meine: “Moeizame en langdurige pacemakerimplantatie vanwege moeilijke cs venen anatomie en nervus phrenicus stimulatie. Onder plaatselijke verdoving met sedatie groeve links pectoraal. pacemakerdraad in rv apex ingeschroefd. Bij plaatsen pacing draad in cs meerdere malen phrenicus stimulatie, uiteindelijk in posterieure vene ingebracht. Daarna boezemdraad in raa geïmplanteerd. Pacemaker aangesloten en gefixeerd. Wond gesloten in lagen.”

Terug op de afdeling blijkt de mare dat dit een bijzondere lange en intensieve operatie was zich fors verspreid te hebben. Spoedig ontfermt het personeel van de verpleegunit zich over mij. Om te beginnen krijg ik een middel tegen trombose in mijn buik gespoten. Dat zal tot en met morgen moeten gebeuren. Even later komt een verpleegkundige die mij aan het infuus legt met antibiotica. Omdat de operatie zo lang duurde en de wond zo lang open lag, wil men voorkomen dat er een infectie ontstaat. Dus ook dit middel zal ik tot en met morgen krijgen. Daarnaast krijg ik bij het eten dat wordt binnengebracht nog een nieuw middel dat van tijdelijke aard is en wel Acetylcysteïne in een dosis van 600 mg. Uiteraard gevraagd waar dit weer goed voor is. En er volgt weer een vanzelfsprekend antwoord.
“Dit medicijn wordt u gegeven omdat u vandaag bij de operatie gedurende een lange periode contrastvloeistof is toegediend. Deze stof zorgt er voor dat de contrastvloeistof het lichaam verlaat en beschermt daarmee uw nieren, mijnheer Janssen.” Er wordt een urinaal of plasfles aan mijn bed gehangen zodat ik elk moment kan plassen.
Ook wordt direct met de pijnbestrijding begonnen en krijg ik gelijk een aantal pijnstillers. Dan verschijnt Ellen ten tonele met het nodige leesvoer voor mij. Zij had vanmiddag al twee keer gebeld om te weten hoe de stand van zaken was. Maar de verpleegunit kon de eerste keer haar niet meer vertellen dan dat ik nog onder het mes lag, als je dat zo mag uitdrukken. Uiteraard maakte ze zich bezorgd. Het warme avondeten wordt binnengebracht, maar ik laat het onberoerd. Ellen neemt ervan de gemengde salade ui met tomaat, terwijl ik vanuit mijn liggende positie twee lunchboterhammen met kaas van de middagmaaltijd, die was blijven staan, langzaam wegwerk. Volgens Ellen schijn ik bijzonder druk te zijn geweest en continue pratend. Ik ben me daar niet van bewust. Misschien is het een natuurlijke reactie op de overspannen dag.

Ik moet horizontaal in bed blijven liggen vanwege de twee drukverbanden. Ik ken deze procedure van het dotteren in mijn bovenbeen in 2005: na ongeveer zes uur mocht het drukverband er toen af en mocht je voorzichtig opstaan. In mijn geval zou dat dus elf uur vanavond zijn. Maar de nachtploeg heeft er duidelijk geen zin in, of bij de overdracht is dit niet besproken. En ofschoon het tegen die tijd op de verpleegunit muisstil is en niets wijst op enige zorgactiviteit komt niemand langs om dat knelverband te verwijderen. En ik heb daar juist wel behoefte aan omdat ik langzamerhand een flinke pijnlijke druk op mijn blaas krijg. Ik wil graag plassen. Mijn piemel heeft zowat een half uur in de urinaal gehangen maar er is geen druppel uitgekomen. Het zit bij mij duidelijk tussen de oren en onwillekeurig denk ik terug aan die dag in januari 2005 toen ik na het dotteren in mijn rechterbovenbeen het ziekenhuis niet mocht verlaten als ik niet eerst geplast had. Nou, ik kan een eind wegplassen, maar waarschijnlijk heel moeilijk op een commando of een daartoe strekkend dwingend verzoek van een verpleegkundige. Bij dat dotteren heb ik toen van alles geprobeerd, nat washandje en ijsblokjes rondom de blaas gehangen. Koude flesjes er tegen aan gedrukt. Gorgelgeluidjes gemaakt waarbij vrouwen vaak grote aandrang krijgen. Men kondigde toen aan, om wanneer over een uur nog geen druppel verschenen was, dat men bij mij met een katheter mijn piemel zou binnen gaan om de blaas te legen. Ik dacht dat ik door het bed zakte. Je zou van alles met mij mogen uitspoken maar niet een katheter door mijn piemel naar binnen schuiven. Dat schijnt een erg pijnlijke gebeurtenis te zijn. Zijn ze nou helemaal van de pot gerukt. Daar heb ik zelf ook nog wat over te zeggen. En ik besloot het heel simpel te verbieden als dat nodig was. Dat kan toch in 2005, dat je over je eigen lichaam de meeste zeggenschap hebt?! Wat mij gered heeft was de dienstwisseling. Toen de ploeg van de nachtdienst was gearriveerd heb ik aan een verpleegkundige die de nachtronde deed zo nonchalant mogelijk gevraagd of ik even naar het toilet mocht. Zij realiseerde zich niet dat ik nog een drukverband bij de lies had. Zij moet gedacht hebben dat die gasten dat niet vragen omdat ze plat moeten liggen en dat ik daarom dus geen drukverband meer zou hebben. Ze zei dus ja, als ik verder niemand zou wakker maken. Nee, dat was mijn oogmerk ook niet. Toen ik mijn piemel boven die closetpot hield golfde er zeker anderhalve liter water uit. Wat een opluchting was dat. En daarna mocht ik naar huis.

Hier ligt dat natuurlijk anders. Hier mag ik niet naar huis als ik geplast heb, maar ik zou dan wel van een drukkend en pijnlijk gevoel verlost zijn. Ik heb de alarmbel nog niet gebruikt en vindt dit een geschikt moment ook al is het twee uur in de nacht. Voor de verpleegkundige is dit toch ook even een moment dat ze wat anders kan doen in plaats van de wijzers van de klok te volgen. Nadat ik haar mijn verzoek kenbaar maak overziet zij mijn situatie en zegt op gedempte toon: “Nee mijnheer Janssen, u mag het bed niet uit. U kunt toch die urinaal gebruiken?”
“Ach mevrouw,” zeg ik, “Dat ding heeft nou wel lang genoeg in die urinaal gehangen, maar er komt niets uit. Het zit bij mij tussen de oren.” Ik hoop dat ze begrijpt wat ik bedoel. ‘Ja, dat is nou ook wat’, hoor ik haar denken.
“Als u nou eens heel voorzichtig met dat rechterbeen uit bed komt en er op gaat staan en u houdt dat linkerbeen in bed. Probeer het dan nog eens met die urinaal.”
“Mevrouw, uw wil geschiedde,” en ik hang het ding er weer in.
Na een half uur komt ze even kijken naar de stand van zaken.
“Geen druppel mevrouw,” zo constateer ik.
“Heeft u wel een beetje met dat water geklotst?”, wijzend naar het glas op het kastje naast het bed.
“Ik heb allerlei technieken op me losgelaten, maar noppes. Maar waarom kan dat drukverband er niet van af. Het zit er al veertien uur om, ik zeg veertien uur, terwijl het normaal na zes uur verwijderd wordt.” Ik zag dat ik met dit directe taalgebruik in bij haar wat beweging veroorzaakte.
“Nou, kom dan maar heel voorzichtig ook met dat andere been uit bed en probeer het dan nog eens.”
En gelukkig lukte het me na een kwartier die plastuit helemaal vol te plassen. Ik was zeker een liter kwijt. Ze beloofde mij dat ik bij het ochtendgloren de eerste ben bij wie men het drukverband komt verwijderen. Verder verschafte de nacht me weinig om hier op te tekenen. Om kort te gaan het was één van de slechtste nachten uit mijn leven. Niet op de linkerzij kunnen liggen vanwege de verse operatiewond. Niet naar rechts kunnen draaien vanwege het infuus aan die kant: kortom een nacht om gauw te vergeten.

Zaterdagochtend zag ik bij de medicatie de vertrouwde Metformine weer terug evenals een mooie opkomende lentezon die mij de dag van gisteren snel uit mijn geheugen moet wissen. Tenminste dat hoopte ik, maar er komen nog tal van momenten die mij aan gisteren doen herinneren. Vandaag worden de injecties in mijn buik tegen de trombose voortgezet en via het infuus krijg ik vandaag de laatste drie eenheden aan antibiotica. De drukverbanden worden verwijderd en vervangen door pleisters. De hele dag door blijft men mij pijnstillers verstrekken. Alleen ’s ochtends heb ik ze ingenomen en ben daarna ermee gestopt omdat ik aanmerkelijk minder pijn bij de operatiewond ervaar. Ik sla de pijnstillers op in mijn la voor het geval ik ze later nog eens nodig mocht hebben.
Om half vier ga ik met een verpleegkundige lopend mee naar de röntgenafdeling voor het maken van een controlefoto. Omdat het vandaag zaterdag is, is het griezelig stil. Geen bezoeker in deze omgeving van poliklinieken te bekennen. Winkeltjes onbemenst en gesloten en elders is het personeel natuurlijk fors gereduceerd. Wat een heerlijke rust. Door de aanwijzingen van de verpleegkundige over de manier waarop bij het maken van de profielfoto ik met de zijkant van mijn lijf tegen het apparaat moet staan waarbij de linkerarm ontzien wordt door deze niet omhoog te steken maar op de rechterarm te leggen, word ik me bewust van de voorlopige mobiliteitsbeperking van de linkerarm en –schouder.
Ellen verscheen weer alsof het vanzelfsprekend was en neemt me elke dag trouw de krant mee. Maar ik realiseer mij dat ik tot op dag van vandaag nog geen krant gelezen heb. Schande! En zo zal het zijn tot de dag van ontslag vrees ik.

De beste nacht is die van zaterdag op zondag, waarbij ik meerdere malen mijn linkerkant uitprobeer door voorzichtig op de linkerzijde te liggen. Het is een beetje onwennig en gevoelig, maar het gaat. Allebei zijn we vandaag vroeg uit de veren. De gebruikelijke dagelijkse controle van bloeddruk en temperatuur blijft achterwege en is kennelijk beëindigd zonder ons te informeren. Wel wordt de medicatie met de pijnstillers voortgezet, terwijl mijn behoefte op dit gebied het geringst is.
In de spiegel van de badkamer zie ik dat er mogelijk wat wondvocht met bloed ontsnapt. Ik vraag een verpleegkundige hier naar te kijken. Hij doet dat en zal even later de dienstdoende zaalarts waarschuwen die de operatiewond zal controleren. Na de dienstwisseling schiet ik een andere verpleegkundige aan omdat de zaalarts nog niet langs is geweest. Vanuit het voorlichtingsmateriaal heb ik begrepen dat infectie een niet te onderschatten risico is. In het ergste scenario moet de pacemaker verwijderd worden en daar moet ik nu even niet aan denken, na hetgeen ik vrijdag heb meegemaakt. De betreffende zaalarts heeft de dienst nu ook al verlaten.
Na de lunch van vanmiddag besluit ik dan toch maar wat rondjes rondom het centrale bewakingseiland te lopen. Mijn kamergenoot verteld mij dat hij een rondje had gelopen om te kijken wat daarvan het effect was op de hartslag. Daarmee hield de proef voor hem op. Voor mij reden om minimaal twintig rondjes rondom de bewakingseenheid te lopen. De gêne van een paar dagen geleden had plaats gemaakt voor opperste nieuwsgierigheid bij mij omtrent mijn conditie en uithoudingsvermogen. Twintig rondjes, omdat ik inschat dat dit vergelijkbaar is met een dagelijkse wandeling naar het winkelcentrum bij ons in Hilversum. Ik vindt het wel interessant omdat ik toch wat bekijks trek. Een verontruste verpleegkundige vraagt mij of ik rustig aan wil doen. Tijdens één van die rondjes dat ik langs de monitoren kom waarop hartslag en hartritmecurve te zien is zie ik in mijn venster dat de ’VT was uitgevallen’. Wat is dat nou weer en ik loop direct naar het centrale bewakingseiland om opheldering te vragen. Blijkbaar gaat het om een storing, want alle geleidingsdraden zitten prima, zo stelt men mij gerust.

Vandaag zijn ze niet meer langs geweest met de bloeddruk en temperatuurmeters. Ze geloven het wel. Deze gasten gaan morgen toch weg. Maar aan de andere kant moeten we nog wel met dat telemetriekastje blijven lopen en vanmorgen werd er nog bloed geprikt en een ecg gemaakt. De verpleegkundige vond mijn hartritmecurve in ieder geval een verbetering met die van dagen geleden. Dat kon ze dus al waarnemen.
En toen het inmiddels vijf uur was geworden en mijn vrouw al een uur op mijn kamer was, moest ik nog steeds de visite van een zaalarts ontberen. Ik voelde een lichte irritatie, en pijn en spanning maakte zich van mij meester. Reden om tegen zes uur voor de derde keer een verpleegkundige te waarschuwen om even naar mijn operatiewond te kijken. Deze constateerde dat er sprake was van een pusherige wond. Hij vertrouwde het niet en nam mijn temperatuur op en waarschuwde de zaalarts. Inmiddels kwam mijn broer en zijn vrouw mij bezoeken en waren getuige van de verpleegkundige belangstelling.
“Wanneer merkte u dit mijnheer Janssen?” zo wilde de verpleegkundige weten.
“Vanochtend en ik heb dit toen aan een verpleegkundige gemeld. En toen er na de dienstwisseling, waarbij deze verpleegkundige naar huis is gegaan er nog geen zaalarts is geweest heb ik het nog eens gemeld. En nu dan weer bij u.”
Ja daar heeft hij niet veel op terug en neemt mijn temperatuur op want bij infecties is meestal sprake van een verhoogde lichaamstemperatuur. De 36,5 graad is niet verontrustend en dat geeft mij wat meer moed. Even later komt er een nieuwe zaalarts, de vierde die ik in deze korte tijd ontmoette. Hij onderzoekt mij en probeert me gerust te stellen.
De laatste nacht van zondag op maandag overtreft de vorige. Ik kijk de avond ervoor zo lang mogelijk naar tv-sportrubrieken om zodoende vermoeid de nacht in te gaan. Op nadrukkelijk verzoek van een verpleegkundige neem ik de laatste twee pijnstillers in ofschoon ik eigenlijk pijnvrij ben.
“Als die
pacemaker van uw 25.000 euro kost, heb ik het recht u te verzoeken de pijnstillers te gebruiken,” aldus de verpleegkundige. En ik kan er moeilijk iets tegenin brengen, hoewel bij nadere beschouwing er niet veel logica inzit.

Kwart voor drie wordt ik wakker. Het is muisstil. Het gepiep van de monitoren uit het centrale bewakingseiland doorbreekt de stilte. Ik was glashelder. In de gang brandt de nachtverlichting die vanwege onze geopende kamerdeur voldoende schijnsel in onze kamer werpt om van alles te kunnen onderscheiden. Ik ben klaarwakker, pijnvrij en volstrekt helder van geest. Wat doe ik dan hier? Ik kijk onwillekeurig naar de tv-monitor die boven mijn bed op 40 centimeter van het plafond is opgehangen en een aantal graden gekanteld is. Ik heb er niet zo veel uren naar gekeken, behalve de laatste avond. Later, thuis, moest ik voor de tv en de telefoon, die ik slechts één keer gebruikt heb maar liefst € 39,20 betalen. Ik begin een beetje te fantaseren als ik zo naar dat ding zit te kijken. Wat moet je anders in deze situatie. Dat ding moet toch niet nog eens op mijn voeten vallen. Onzin natuurlijk, prent ik mezelf in. Maar zo’n onzin is het niet. Als in Maastricht de balkons van een flatgebouw met prijzige appartementen naar benden vallen, dan kan deze monitor, waarvoor waarschijnlijk geen gemeentelijke vergunning is vertrekt om deze boven mijn voeteneind op te hangen, ook naar beneden komen, daarmee simpel gevolg gevend aan de wet van de zwaartekracht.
Dat zou natuurlijk toeval zijn. Maar toeval bestaat niet heb ik eens in een wetenschappelijk artikel gelezen. Alle nieuwe situaties komen voort uit een daaraan voorafgaande. Zoiets als de evolutieleer, zonder verleden geen heden. Die monitor flikkert dus niet zomaar naar beneden. Daar is een reden voor. En het is onzin dat te ontkennen. Waarschijnlijk dat het de krant niet haalt. Mogelijk dat de directie van het ziekenhuis een onderzoek doet instellen of het voorval bij de arbeidsinspectie zal melden.
Hoe kan ik voorkomen dat bij het neervallen van de zware tv-monitor ik ernstig letsel oploop? Ik doe mijn voeten zo wijd mogelijk uit elkaar zodat de tv-monitor ruimte heeft om op het voeteneind te belanden zonder mij te raken. Maar dat is meer een wens dan werkelijkheid. Als ik op mijn zij draai om van positie te veranderen, kom ik daar vrij snel op terug, omdat ik mij realiseer dat de Tv-monitor mijn enkels zal raken. De val van dat ding bedraagt ongeveer 1.90 meter en is voldoende om een enkelbreuk te veroorzaken. Ik ga naar het toilet om een nachtelijke plas te doen en constateer tevens dat ik volstrekt wakker ben. Wil ik lichamelijk letsel voorkomen, dan dien ik toch met beide voeten ongeveer buiten het bed te gaan hangen. Maar na de nodige verkramping haal ik mijn voeten toch maar weer naar binnen en probeer in te slapen. Dat lukt echter niet en ik stel me vervolgens voor hoe dat loslaten van de monitor in zijn werk gaat. Waarschijnlijk zal later uit onderzoek van de Arbo of arbeidsinspectie blijken dat metaalmoeheid van twee boutjes er de oorzaak van was dat de tv-monitor in een fractie van een seconde, in ieder geval te snel om mijn linkervoet weg te trekken, naar beneden komt en daarbij de ophangstang en een plaat van het plafond in zijn val meenemend.
En wat, als de linkerenkel inderdaad daadwerkelijk gebroken blijkt? Ik moet er niet aan denken. Het had beter de rechterenkel kunnen zijn, want hoe moet ik aan de linkerkant revalideren en met een kruk lopen als ik mijn linkerarm voorlopig niet mag belasten vanwege de hechting van de geleidedraden. Ik kijk op de klok en zie dat het vijf uur is.
Linkerenkel gebroken en ik schreeuw het uit van de pijn. De tv-monitor heeft geen mooie rondingen die een harde aanraking minder erg zouden maken. Nee het hoekige ding heeft scherpe kanten van 90 graden. Op mijn geroep komt een nachtverpleegkundige af en ziet mij met een van pijn verwrongen gezicht op het bed liggen met de tv-monitor op mijn linkervoet. De rechtervoet is gelukkig buiten schot gebleven. Ik vraag de verpleegkundige om dat ding zo snel mogelijk van mijn voet te tillen.
En vertwijfeld vraag ik wat er moet gebeuren. Op een cardiologische afdeling heeft men natuurlijk geen enkele ervaring met fracturen. Dus ik zal tijdelijk even uitbesteedt moeten worden. De verpleegkundige heeft hulp gekregen van een collega en met zijn tweeën tracht men mij te ontzetten en haalt men de tv-monitor, waar ik een paar uur geleden nog de samenvatting Ajax – Heracles heb gezien, weg.
Er zal eerst een röntgenfoto gemaakt moeten worden om precies vast te stellen wat de schade is. Maar daar is nu geen personeel. Men moet mij eigenlijk behandelen alsof ik van buiten naar binnen wordt gebracht wegens een plotseling ongeval bijvoorbeeld. Dus ik moet naar de hoofdingang gereden worden om dan daar in een ambulance over te stappen die mij vervolgens een paar meter verder naar de ehbo-ingang brengt. Daar kan ik het normale traject ingaan voor spoedgevallen en kan er nu ook midden in de nacht gefotografeerd worden.

Ik ben glashelder, stap uit bed, pak mijn schrijfblok en pen en loop zachtjes door de gang naar een zithoek waar volop licht is om dit bizarre verhaal op te tekenen. Een attente verpleegkundige is me nagelopen en vraagt of ik een bakkie koffie wil. Ik stel haar niet teleur, want dat kan ik nu best wel gebruiken. De aflossing van de nachtdienst is op gang gekomen als ik weer mijn kamer op kom. De tv-monitor hangt nog aan het plafond en schijnt niet van plan te zijn die plek te verlaten.
Het is nog geen acht uur als de hele stoet visite de kamer opmarcheert. De cardioloog wordt door mij deelgenoot gemaakt van de ongerustheid die gisteren een verpleegkundige etaleerde toen die meende dat er naast wat wondvocht ook enige push bij de operatiewond zichtbaar was.
Hij verwijdert de pleister terwijl twee zaalartsen verontrust over zijn schouder meekijken als dokter Meine op de operatiewond drukt om te kijken of er iets uit komt. Dat is niet het geval, hetgeen bij mij tot grote opluchting leidt. Maar hij adviseert mij om de wond goed in de gaten te houden en er op te letten dat hij niet rood en opgezwollen wordt. Want dan wil hij direct gewaarschuwd worden. Het is vandaag de dag dat ik ontslagen wordt en van het definitief afstellen van de
pacemaker. In de loop van de ochtend komt cardioloog Meine langs om de pacemaker definitief in te stellen. Hij heeft daarbij een programmer (een speciale computer) die hij op het kastje bij het bed opstelt en legt een zender/ontvanger, die met de computer verbonden is op de plaats waar de pacemaker onder de huid zit.
Hij stelt de maximale ventrikeltachycardie (vt) in op 190.
Een hartritme met een frequentie van 120 tot 250 slagen per minuut kan duizeligheid, een gevoel van zwakte, blinde vlekken en, uiteindelijk bewusteloosheid veroorzaken. Zover mag het niet komen. Bij 190 moet hij actief worden en probeert in 2,5 seconde mijn hart weer normaal te krijgen. De maximale Ventrikelfibrillatie (vf) stelt hij in op 240. Bij een zeer snel, onregelmatig hartritme, veroorzaakt door ongewone impulsen die kunnen voortkomen uit verschillende delen van het ventrikel, klopt het hart zo snel dat het slechts zeer weinig bloed naar het lichaam kan pompen. Bij ventrikelfibrillatie (vf) kan de hartslag oplopen tot meer dan 300 slagen per minuut (bpm). vf kan fataal zijn indien er niet onmiddellijk medisch wordt ingegrepen. Defibrillatie is dan de enige manier om een optredende vf te behandelen. Gedurende 1 seconde krijg ik een shock. Ik moet dan weer bij bewustzijn zijn. Als hij na twintig minuten klaar is met de programmering sluit hij af en overhandigt mij een internationaal paspoort dat ik altijd bij me moet dragen en waar de informatie over de instellingen te vinden zijn.
De cardioloog wil voor mijn ontslag nog een bloedonderzoek en ik moet nog een echocardiogram laten maken die met de thoraxfoto van gisterochtend de laatste informatie verschaft over de werking van het hart na de implantatie van de pacemaker en of de draden goed liggen. Maar dat is pas om twee uur vanmiddag. Waarom dat niet eerder gepland is, bijvoorbeeld in de ochtend, is voor mij een vraag. Afhankelijk van de laatste onderzoeksresultaten moet ik nog deze week bij doctor Meine terugkomen of volgende week woensdag. Ik krijg van hem nog wat adviezen mee bij calamiteiten of andere onverwachte problemen.

Bij mijn kamergenoot is inmiddels ook de ICD definitief ingesteld en hij wacht op zijn vrouw en dochter die hem komen ophalen.
De tijd dat ik moet wachten vul ik op met een bezoekje aan mijn oud collega’s voorlichters die gehuisvest zijn in het Bestuursgebouw van de universiteit hier op de campus van de Uithof. Het is voor het eerst na de operatie dat ik het ziekenhuis verlaat. Heel onwennig, nu ik los ben van het telemetriekastje en aan de waakzaamheid van een pacemaker ben overgeleverd. Als alles het maar blijft doen. Schoorvoetend nader ik het Bestuursgebouw waar ik een groot deel van mijn leven heb doorgebracht. De meeste collega’s wisten niet eens dat ik een pacemaker heb gekregen, dus dat bijkletsen duurde wat langer dan ik had ingeschat. Maar ik was weer op tijd in het ziekenhuis terug voor de broodmaaltijd. Rond twaalf uur zie ik de mevrouw met de voedselvoorziening over de gang lopen. Ze slaat onze kamer over. Ik achter haar aan.
“Mevrouw krijgen wij niks vandaag?”, vraag ik haar.
“Oh, bent u er dan nog? U bent bij ons al uitgeboekt.”
Nou vraag ik je.
“Uitgeboekt? We hebben onze keuze voor deze maaltijd ingevuld. Die is door u ingenomen. Dan zijn wij toch niet uitgeboekt?”
“Sorry hoor, de verpleegunit heeft dat aan de keuken doorgegeven. Ik zal kijken of ik nog wat voor u kan versieren.” En ze haast zich naar de pantry om even later met twee bordjes terug te komen met daarop wat in niets lijkt op wat wij beiden besteld hebben. Koffie, thee, melk schijnt geen punt te zijn, maar een beetje beleg en een paar boterhammen is moeilijk te regelen.
Tot overmaat van ramp komen de nieuwe patiënten de kamer op die weldra onze bedden gaan vullen. Nou, ik vind dit echt geen stijl. Volgens mij betaald mijn verzekering dit bed nog voor mij vandaag en het zit er dik in dat dit bed ook nog eens betaald gaat worden door de verzekeraar van de man die op verontschuldigende wijze zijn kleren en zijn spullen voor zijn tijdelijk verblijf hier in de hoek van de kamer zet. Ik vind het voor die nieuwe patiënt ook geen klantvriendelijk welkom en ik op mijn wijze verontschuldig mij bij hem dat het bed nog niet vrij is en deel hem mee dat ik om twee uur nog een onderzoek moet ondergaan. Maar hij vindt het niet erg en zegt dat hij in het restaurant wat gaat eten. Ondertussen heb ik zo het gevoel dat men mij liever kwijt dan rijk is, ofschoon ik mij netjes gedragen heb en de huisregels van deze afdeling ten volle gerespecteerd heb. Het doet me denken aan het vakantiehotel waar je vóór twaalf uur uitgeboekt moet zijn. Tussen het leegruimen van het nachtkastje en het ontmantelen van de kleerkast neem ik wat happen van datgene wat mij op het bord is aangeleverd en dood de tijd vervolgens met het maken van aantekeningen. Als ik tenslotte mijn koffertje heb ingepakt en me klaar maak voor het bloedprikken en een echocardiogram zie ik op het aanrechtblad van onze kamer twee plates met een lunch en soep gereed staan voor de patiënten die nog ingecheckt moeten worden, en waarvan er een inmiddels een restaurant heeft gevonden. Nee, dat is in ieder geval niet goed geregeld.

Het is dezelfde Belgische cardioloog De Boeck die ook nu het echocardiogram maakt. Hij is gespecialiseerd is de electrofysiologie van het hart. Dat is een specialisme op het gebied van de elektrische signalen in het hart. Ik ben een beetje bezorgd als hij met de uitlezer in de buurt van mijn linker borstgedeelte komt, maar hij weet waar de pacemaker is geïmplanteerd. Hij vraagt mij of ik wil meewerken aan een specifiek onderzoek dat gedaan wordt bij patiënten die een biventriculaire pacemaker geïmplanteerd hebben gekregen. Doel van het onderzoek is in kaart brengen bij wie in de toekomst wel en bij wie geen baat is te verwachten met zo’n speciale pacemaker. Met behulp van nieuwe technieken in de echocardiografie kan het contractiepatroon van de hartspier beter in beeld worden gebracht dan voorheen. Abnormale activatie van de hartspier door een hartziekte als hartfalen kan het hart ongecoördineerd doen samentrekken. Als het hart hierdoor minder werkt, kan een speciale pacemaker hulp bieden, zoals in mijn geval. Met behulp van nieuwe echotechnieken hoopt men een betere diagnose en behandeling vast te stellen. Het onderzoek dat hij vandaag doet is hetzelfde als hij op 2 maart heeft gedaan. Dus de beelden kan hij mooi met elkaar vergelijken. Ik geeft graag mijn toestemming voor dit onderzoek en zet daarvoor mijn handtekening. De gegevens zullen niet aan derden worden verstrekt. Alleen bevoegde personen van het onderzoeksteam, medewerkers van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, of leden van de medisch-ethische toetsingscommissie kunnen inzage krijgen in mijn onderzoeksgegevens. Dus waar zou ik mij bang om moeten maken. Aan dit soort onderzoeken is medewerking als het ware een sociale verplichting.

Volgens hem is het al enigszins zichtbaar dat mijn hart ietsje kleiner is geworden. Zichtbaar is ook dat de dissynchroniteit is opgeheven en dat de pompfunctie is verbeterd. Het is allemaal een eerste voorzichtige bevinding zoals hij zelf zegt. Na een paar maanden valt er meer over te vertellen. Voordat ik dan daadwerkelijk het umc te Utrecht verlaat hoor ik definitief dat ik volgende week woensdag nog even moet terugkomen vanwege vochtlekkage uit de wond. Het is niet ernstig, maar uit voorzorg. Dan ook worden de hechtingen er uit gehaald. 

(Naar boven)

© Copyright 20009 - 2013  J.M.J.F. Janssen - Hilversum