Verblijf op Aarde
Met de pacemaker op stap

 
 
 
 
   

Klik hier om het hoofdstuk over de moeilijke implantatie te lezen.



 































































































































































Duidelijk te zien zijn de drie thora-scopen die het lichaam ingaan en bij een endoscopische operatietechniek gebruikt worden. In een daarvan zit een camera waarmee men op een scherm de verrichtingen kan volgen. In de een andere gaat het gereed-schap en de nieuwe draad naar binnen en met behulp van de derde buis wordt gas ingebracht zodat op die plaatsruimte kan worden gecreëerd.




Met behulp van een monitor kan men de camerabeelden waaraan ook een lichtbron is bevestigd zien of de linkerkamerdraad goed op het hart wordt vastgeschroefd.




























































































































































Boven mijn hoofd is goed te zien de horizontaal weggehangen arm die tot een pijnlijke complicatie heeft geleid. Zo is de arm niet volgens protocol weggehangen waardoor het plexus brachialisleasie is ontstaan.






















































































































































































































 

Het hoofdstuk van de hersteloperatie tussen twee ribben door op een kloppend hart. Ook het hoofdstuk waarbij van alles rondom deze ingreep is misgegaan wat kon misgaan.

 

Hartchirurg en cardioloog maken hoogstandje

Op de opnamedag worden eerst een aantal onderzoeken gedaan zoals laboratoriumonderzoek, een hartfoto wordt gemaakt en een ecg. Aan de hartfoto kan men zien of de derde draad zich nog verder verplaatst heeft. Dat blijkt gelukkig niet het geval. Daarna vindt er een ontvangst plaats bij B4Oost, evenals B4West onderdeel uitmakend van de Cardiologische verpleegafdeling.

In vergelijking met de opname bij B4West voor de implantatie van de pacemaker is de ontvangst hier betrekkelijk bizar. Een verpleegkundige vangt ons tegen tien voor twee op en brengt ons naar een vier persoonskamer waar al drie bedden bezet zijn. Het resterende bed is klaarblijkelijk voor mij. De verpleegkundige vraagt of we iets willen drinken. Ellen opteert voor water en ik voor jus d’orange. Ellen kreeg haar water maar ik zit tot op de dag van vandaag nog steeds op mijn drankje te wachten. Toen er na een half uur geen beweging te zien was van wat op verplegend personeel leek, ben ik voorzichtig op stap gegaan. De eerste de beste verpleegkundige die ik tegen kwam schoot ik aan en vertelde haar van het feit dat ik op een eenpersoonskamer heb gerekend. Ik wijs haar op de passage in de aan mij toegezonden folder over anesthesiologie: “Het is van belang dat u goed uitgerust bent op de dag van de operatie. Mogelijk maakt u zich toch zenuwachtig of houdt de vreemde omgeving u uit uw slaap”.

Ik benadruk bij haar dat ik mij geen slechte nacht door allerlei gesnurk van andere patiënten kan veroorloven. Reden waarom mijn verzoek, om een eenpersoonskamer toegewezen te krijgen en dat al meer dan zes weken geleden is gedaan, gehonoreerd dient te worden. Ze maakt mij duidelijk dat er nu geen eenpersoonskamer beschikbaar is, maar dat ik daar na de operatie wel over kan beschikken. Voor mij geen punt meer om op de agenda te houden.
Vervolgens hebben Ellen en ik haar geprobeerd duidelijk te maken dat we toch graag onze verblijfspullen in de zaalkast wilden opbergen. Dat ging niet beweerde ze. En ze riep iets dat zij dan weer alles moesten uitpakken. Wij begrepen het niet. Ellen probeerde het nog eens op haar manier: “Mijn man moet toch zijn spullen kwijt, die kunnen we toch niet zomaar hier laten staan?!”
Wij ondernamen nog diverse pogingen om uitleg te vragen voordat het dubbeltje bij haar gevallen is en zij ons kon duidelijk maken dat ik morgen na de operatie hier niet meer zou terug keren en dat mijn spullen met mij morgen deze kamer moeten verlaten. Communiceren schijnt voor veel mensen een extra handicap te zijn. Ze kondigt aan de bloeddruk en de temperatuur van me te willen opmeten. Toen dat om zes uur nog niet gedaan was melde ik dat met enige schroom bij de eerste de beste verpleegkundige die ik tegenkom, want je wilt zo’n jonge verpleegkundige toch geen aantekening in haar personeelsdossier bezorgen. Ik begrijp al snel dat je wakker moet blijven en overal zelf achteraan moet gaan. Dat wilde ik deze keer eigenlijk dus niet doen.

Na een intakegesprek volgt er een gesprek met de zaalarts die mij meedeelt dat ik voor morgenochtend als eerste gepland sta en dat ik om half acht al zal worden weggebracht. Daarnaast kondigt zij voorts aan dat de anesthesioloog, de cardioloog en de hartchirurg in de loop van de dag nog langs komen. De leiding van de operatie berust bij de Pakistaanse hartchirurg dr Ramjankhan. Met de Duitse cardioloog en de Nederlandse anesthesioloog eigenlijk een internationaal trio zoals je dat ook bij uefa cupwedstrijden hebt. Moet dus een eerlijk verloop krijgen. Als eerste van hen dient zich cardioloog dr Meine aan. Hij probeert mij zoveel mogelijk op mijn gemak te stellen en vertelt, vooruitlopend op wat de hartchirurg mij specifieker zou duidelijk maken, hoe de ingreep globaal zal gaan verlopen. De hartfoto die vanmiddag gemaakt is wees uit dat de derde linker kamerdraad zich niet verder verplaatst heeft en nog met een lus in het rechteratrium ligt. Hij schat dat ze er twee uur werk aan hebben. Ik schrik er niet van na de twintig tot dertig minuten die cardioloog de Milliano er voor gaf. Meine wil nu duidelijk geen foutieve inschatting meer ten opzichte van mij maken en kiest de zekerste weg. Het is een ontspannend en voor mij opluchtend gesprek. Ik krijg er weer een beetje vertrouwen in. Na de cardioloog ontvang ik de hartchirurg op audiëntie. Aan hem vraag ik nauwgezet hoe het verloop van de ingreep zal zijn en of de oude draad verwijderd wordt of niet en wat men dan in het laatste geval zal doen. En of de draad op enigerlei wijze gefixeerd wordt als hij niet in een ader wordt gelegd maar bovenop het hart wordt vastgeschroefd. Na mijn stortvloed van vragen wou hij ook graag wat zeggen en ik begreep dat ik weer te snel van wal stak.

Het is normaal zo dat als de elektroden op het hart (‘epicardiaal’) worden geplaatst, de borstkas moet worden geopend. Deze plaatsing gebeurt door de hartchirurg, terwijl de cardioloog voor de aansluitingen met de pacemaker zorg draagt die meestal hogerop nabij het sleutelbeen ligt. Indien de elektroden in het hart worden geplaatst (‘intravasculair’), gebeurt dit via de grote aders in de schouder. Deze plaatsing gebeurt door de cardioloog. Bij de implantatie van de pacemaker zijn bij mij de twee draden voor rechteratrium en rechterventrikel in het hart geplaatst. De draad voor de linkerkamer is met de twee andere mee doorgevoerd via de sleutelbeenader door de holle ader naar het rechteratrium in het hart en van daaruit via een kransslagader op de wand van de linkerkamer terechtgekomen. De bedoeling is dat de oude draad verwijderd wordt en dat de hartchirurg daarbij gebruik maakt van de endoscopische operatietechniek. Bij endoscopie is sprake van een kijkoperatie. Het was aanvankelijk een techniek waarbij men met een buis met een lenzenstelsel in een hol orgaan (bijvoorbeeld, buikholte, kniegewricht) kon kijken om te zien of het nodig was over te gaan tot een 'echte' operatie. Deze techniek ontwikkelde zich snel verder en behalve kijken bleek het ook mogelijk om instrumenten door de buis heen in de holte te brengen en om daarmee in de holte te werken. Dit gebeurt met een instrument genaamd de thoracoscoop waarmee een arts of chirurg via een flexibele slang in het lichaam kan kijken en werken.

In mijn geval waarbij geen open hartoperatie zal plaats hebben is endoscopie een voorbeeld van minimaal-invasieve chirurgie, waarbij een zo klein mogelijk aantal letsels wordt veroorzaakt bij de patiënt. Doordat deze endoscopische procedures minimaal zijn, is de hersteltijd en het uiteindelijk verblijf in het ziekenhuis zo kort mogelijk.
Er worden morgenochtend drie kleine openingen gemaakt aan de linkerzijde van mijn borst. Bij de grootste incisie (het verst van de oksel verwijderd) wordt de thoracoscoop tussen twee ribben door ingebracht. Vervolgens worden op tepelhoogte aan de voorkant en aan de achterkant twee werkpoorten gemaakt, die voor verlichting van de inwendige borstholte en de video wordt gebruikt, en om de borstholte met gas te vullen. Daarvoor wordt mijn linkerlong buiten werking gesteld. Het gas dat in de holte van de borstkas wordt geperst, zorgt er voor dat er meer ruimte om te werken ontstaat. Nadat de nieuwe draad is vastgemaakt zal hij naar boven richting sleutelbeen ‘ondertunneld’ worden waar cardioloog Meine hem zal opvangen en aan de pacemaker zal bevestigen.
Ik vind het een super interessante operatietechniek en ben benieuwd naar wat de anesthesioloog te melden heeft. Maar die is, in weerwil van de informatie in de brochure over anesthesie en in weerwil van de toezegging die mij vorige week vrijdag is gedaan, niet meer langs gekomen. Voordeel van deze techniek is volgens hartchirurg Ramjankhan dat hij de beste plek op het hart kan uitzoeken, waar de draad gefixeerd zal worden.
“En denk er om mijnheer Janssen, ik wil morgen geen ge-au horen”, besluit hij glimlachend. Hieraan merk ik dat de heren al vooroverleg hebben gehad.

De twee hartpatiënten aan mijn overzijde, een 61-jarige man uit Nijmegen en een nog jonge vrouw van ongeveer 30 jaar bij wie een open hartoperatie gedaan wordt zitten de hele avond te oefenen met een apparaat voor het op gang brengen van de ademhaling. Een fysiotherapeut heeft hen daarvoor allerlei instructies gegeven. Ook hebben zij en ik een stevig kussen gekregen dat gebruikt moet worden voor een hoestbui of niesen na de operatie. Het kussen dient dan met forse tegendruk tegen de borstkast gedrukt te worden zodat de pijn gereduceerd wordt. De jonge vrouw heeft het versierd dat haar man en haar vader en moeder morgenochtend om kwart voor zeven even een half uur langskomen om haar moed in te spreken en haar nog eens in hun armen nemen.
De man uit Nijmegen is vergezeld van zijn vrouw en ze brengen tot in de avond de tijd door met kaarten. De Nijmegenaar heeft last van een falende hartklep en wil op zeker spelen door deze operatie aan de Utrechtse hartchirurgen te gunnen. Hij heeft voor het umcu gekozen omdat hij de hartafdeling in het Radboudziekenhuis in Nijmegen nog steeds niet vertrouwt nadat deze gesloten is geweest, ook al zal morgen tijdens een persconferentie bekend worden gemaakt dat patiënten niet meer bang hoeven te zijn voor een hoger dan normaal sterfterisico bij de Nijmeegse hartchirurgen. De oudere vrouw die naast mij ligt en waarschijnlijk de vijfenzestig gepasseerd is wordt meerdere malen onderzocht in hoeverre een klein wondje bij haar navel dat ontstoken is, nog roet in het eten kan gooien. Tegen half negen, als ik met betraande ogen van Ellen afscheid heb genomen, hoort mijn buurvrouw dat vervanging van de pacemaker morgen niet kan doorgaan. Mijn hartchirurg komt het haar vertellen. Hij wil geen risico nemen. De vrouw is zeer teleurgesteld. Het zou haar zesde pacemaker worden. Dus ze kan een woordje meepraten. Maar dit had ze nog niet eerder meegemaakt. Ze maakt zich zorgen en is ongerust omdat er nog slechts voor de maand augustus energie in de pacemaker aanwezig is. Haar cardioloog, die ook nog even bij haar langskomt, stelt haar op haar gemak en merkt op dat de fabrieksgarantie op zeker moment over drie maanden spreekt, terwijl de cardioloog dan nog twee maanden aanhoudt. Ze moet zich niet ongerust maken. Haar huisarts moet wel zorgen dat binnen twee weken de ontsteking verdwenen is zodat ze een week later de oude pacemaker kunnen vervangen.

Om half acht op woensdagmorgen wordt ik naar de wachtkamer (Holding) voor de OK gereden, waar de anesthesioloog, die mij die dag zal wegmaken, mij met twee medewerkers even na achten ophaalt. De woorden die onderling gewisseld worden gaan over de medicatie die ik nog niet gehad heb die dag. Ergens aan, of bij mijn bed, vindt men een bekertje waarin de medicijnen zitten die men op de afdeling mij vergeten heeft aan te reiken.
Ik bied aan om ze nu met een slok water in te nemen, maar de anesthesioloog wijst dat gebarend af. Hij zal zien in hoeverre hij deze medicatie bij de narcose zal gebruiken. Toen het eerste infuus na veel gehannes en ervaren pijn eindelijk in mijn linker onderarm nabij de pols was aangebracht begint hij aan de aanleg van een tweede infuus eveneens in de linker onderarm. Dat brengt nog meer gewurm met zich mee, waarbij een zee van pijn in de tranen op mijn wangen zichtbaar wordt. Later telde ik in deze onderarm bij een grote blauwe plek vier pogingen om het infuus in te brengen. Ook in de rechter onderarm ontwaarde ik later een blauwe plek met meerdere prikgaten, waar mogelijk ook nog een infuus heeft gezeten. Omdat de hartchirurg mij had laten weten, van mij geen ‘ge-au’ te willen vernemen, vraag ik aan de anesthesioloog om nu werk te maken van het onder narcose brengen. Hij had al een infuus aangebracht en kan alvast daar de morfine op aansluiten, waarna hij, wat mij betreft tot St. Juttemis kan prikken. Ik ben dan toch onder narcose en behoef dan geen extra pijn te lijden. Hij geeft hieraan gelukkig gevolg.

Tegen kwart voor twaalf belt Ellen met de verpleegafdeling. Maar ik schijn nog op de recoveryruimte te liggen. Van daaruit wordt ik in het begin van de middag overgebracht naar Medium Care. Het verschil met Intensive Care is dat je hier bij Medium Care niet beademd wordt en bij Intensive Care wel. Als ik daar binnen kom, zitten er nog zes leidingen en draden aan me vast. Dat zijn:

  • In de hals een centraal veneuze katheter om medicijnen en antibioticum te geven. Ook kan er bloed uit worden afgenomen voor onderzoek. Om de katheter open te houden krijg ik continu een fysiologische zoutoplossing toegediend.

  • In de linker onderarm zit een perifeer infuus met morfine voor de pijnbestrijding.
    In de blaas zit een blaaskatheter om er voor te zorgen dat de urine wegloopt.

  • In het operatiegebied zit een thoraxdrain. Deze zorgt er voor dat het overtollige wondvocht en bloed af kan lopen. Het ‘borrelen’ wat ik kan horen komt door de vacuüm aansluiting, het zorgt er voor dat mijn linkerlong zich weer mooi gaat ontplooien en op de juiste plek komt te liggen.

  • Aan één van mijn vingers aan de rechterhand zit een draad met aan het uiteinde een zogenaamd ‘vingerhoedje’, dat een aantal gegevens over het bloed zoals het zuurstofgehalte continue bijhoudt.

  • In mijn neus hangt een slangetje waarmee ik extra zuurstof krijg toegediend.

  • Tenslotte zijn er op mijn borstkas nog drie plakkers vastgemaakt waaraan elektroden zitten die via een monitor continu het hartritme laten zien.

Dit gaat er morgenochtend allemaal uit en krijg ik voor de monitoring weer dat telemetriekastje om met vijf draden.
Ellen krijgt een half uur om hiervan te genieten. “Nou daar ligt haar grote blafhond aan de draden van het umcu”, moet ze gedacht hebben. Maar ze heeft een leesboek bij zich. Tegen vier uur word ik wakker. Het eerste en belangrijkste nieuws dat ik uit haar mond hoor is dat de operatie geslaagd is. Er ligt een nieuwe draad op mijn hart. Vastgeschroefd, en kan niet meer verschuiven. Het is een pak van mijn hart voor zover ik de betekenis van de geslaagde ingreep op dat moment kan beoordelen. Wat mij bovendien opvalt, is dat ik geen telemetriekastje om heb met die vijf draden. Maar dat is van korte duur. Morgenochtend hangt de hele boel al weer aan mijn lijf.

Mij wordt duidelijk gemaakt dat ik weer een stoet specialisten kan zien langskomen, onder wie de cardioloog, hartchirurg en anesthesioloog. Tegen een uur of half vijf merk ik dat mijn gehele linkerarm uitval heeft. Ik kan de onderarm en ook de bovenarm niet bewegen. Mijn hand en vingers tintelen en ik kan er niks mee. De arm voelt volgens Ellen koud aan. De een na de ander verschijnt aan mijn bed. Heel veel vervangers. Men staat voor een raadsel. De zaalarts vermoed na uitgebreid lijfelijk onderzoek dat wellicht mijn linkerarm in zijn overstrekking bij de operatie bekneld is geraakt en bij het schoudergewricht een zenuwenbundel afgekneld is geweest. Een ontboden neuroloog moet uitkomst brengen. Deze laat later op de avond een CT-scan maken om een tia uit te sluiten. Ik wind me op dat mij dat nou weer moet overkomen. Ik vloek, ingehouden. Ellen troost me waar ze kan.

“Het is iets van tijdelijke aard”, herhaalt ze de artsen die mij bezochten. Geregeld komt een verpleegkundige langs om te kijken hoe het gaat en wordt de pijnbestrijding in de gaten gehouden. Als de pijn erger wordt moet ik dat aangeven en kan men wat ‘bijzetten’. Nadat Ellen heeft meegemaakt dat ik twee volle bakken vla heb weggewerkt, die zij mij gevoerd heeft, gaat ze met een gerust gevoel naar huis. Over deze jongen hoeft ze zich niet meer ongerust te maken. Ook de buren werden geďnformeerd met de wetenshap dat ik geen pijn hoef te lijden en dat allen gerust kunnen gaan slapen.
Bij het ingaan van de eerste nacht na de operatie heb ik de anesthesioloog gemist en ook de hartchirurg die even zou langskomen. Ook niet om even mee te delen wat er gebeurd is. Wat volgt is een lange pijnlijke nacht. Eigenlijk wordt ik niet echt wakker ’s ochtends, want ik heb alle uren van de nacht voorbij zien komen en geregeld aan een verpleegkundige gevraagd om wat morfine bij te zetten. Men was niet ongenegen mij tegemoet te komen. Maar ik had niet het gevoel dat het enig effect had. De pijn bleef en werd erger. Voor een deel kreeg ik zelfs enig schuldgevoel omdat ik niet tegen pijn kan en kennelijk een lage pijndrempel heb. De eerste die pijn voelt ben ik. Dus heb ik nou wel echt pijn gehad vraag ik me af. Helaas. Voor mij hoeft het niet. En met narcose ben je dus toch niet veel beter af. Van de operatie zelf merk je niets. Maar wat ik ook begrepen heb is dat je heel goed de pijn erna kunt bestrijden. Ook in dit
umcu.

Ik maakte de pijnbestrijdingdeskundig, tevens zaalarts, opnieuw kenbaar dat het met de pijn niet goed gaat. Pijn bij de ribben en de operatiewondjes en in het bijzonder bij hoesten en niezen en een diepe ademhaling. Ook al gebruik ik het kussen. Ze vroeg een verpleegkundige naar een onderzoek. Beloofd werd andermaal dat de anesthesioloog en de hartchirurg nog even langs zouden komen. De verpleegkundige constateerde tot zijn schrik dat de morfinepomp was uitgevallen en dat deze daarbij bovendien geen alarm geeft gegeven. Er werd mij dus geen medicatie toegediend. Voorts ontdekte hij dat in het infuus een stolsel zat dat voorkwam dat morfine naar mijn lichaam kon doorstromen, terwijl een fysiologische zoutoplossing iets dergelijks nou juist moet voorkomen door het infuus open te houden. De wet van Murphy is mij inmiddels bekend. Hij wil het infuus verwijderen en op een andere plaats een nieuw aanleggen. Ik protesteer. Angst is van mijn gezicht te lezen. Omdat via het infuus in mijn halsslagader een half uur geleden de laatste antibiotica eenheid is toegediend, vraag ik hem op een niet te negeren wijze om de morfinepomp hierop aan te sluiten. Waarom moeten er toch zoveel gaten in iemands lijf geprikt worden terwijl je met de helft kan volstaan, denk ik. De verpleegkundige stelpt mijn tranenstroom door het verzoek te honoreren. Patiënten die meedenken worden dus toch beloond. Nadat twee medewerkers van de röntgenafdeling met een mobiele camera een hartfoto gemaakt hebben komt de hartchirurg mij vertellen dat de operatie succesvol was verlopen en dat ze om elf uur klaar waren. Schijnbaar was hij al op de hoogte van de uitval van de linkerarm, want volgens hem is dit van tijdelijke aard. Het is gekomen door het fors naar boven oprekken van de linkerarm waarbij een zenuwbundel is afgekneld. Tegen tien uur wordt het druk aan mijn bed. De zaalarts controleert nog eens de linkerarm en beloofd dat de neuroloog nog langskomt. Een verpleegkundige gaat zich intensief met mij bemoeien en gaat alles wat aan mijn lijf zit loskoppelen en verwijderen. Dus ook de katheter die in mijn blaas is geschoven zal mijn lijf uit moeten. De schrik slaat om mijn hart. Als er iets is wat ik echt eng vind is het wel het inbrengen of verwijderen van zo’n katheter uit de plasbuis. Ik vraag de man om mij even een beetje weg te maken door nog een stoot extra morfine. Maar daar gaat deze verpleegkundige niet over. Hij ziet de angst op mijn gezicht en vraagt mij waar ik bang voor ben. Voor de pijn natuurlijk. Komt hij met zijn angst voor de tandarts aanzetten. En hoe hij zich daar over heen helpt. Ik zal wel even wat voelen maar het is geen echte pijn, zegt hij. Ondertussen zit hij al tussen mijn benen en heeft hij de katheter vast. Ik verkramp, mijn ademhaling stokt. Hij heeft het in de gaten en vraagt me om rustig adem te halen en om te ontspannen.

“U moet dat niet voor mij doen. Maar doe dat nu eens echt voor uzelf.” Ik begrijp wat hij zegt en probeer te doen wat hij vraagt.
“Als ik zo meteen de katheter verwijder komt hij langs een plek die door de katheter beroerd wordt en waardoor u denkt dat u gaat plassen. Dat is niet het geval, want uw blaas is helemaal leeg. Dat duurt slechts even, daarna is het over. Ik haal hem er nu uit,” en met een handige beweging trekt hij eerst heel langzaam, maar daarna wat sneller de katheter eruit.
Ik slaak een zucht, hap naar adem en ik denk dat ik het hele bed ga onderplassen en vraag hem of het bed al nat is. Hij lacht en zegt dat dat het gevoel is waarvoor hij mij nou juist waarschuwde.
“Nee, mijnheer Janssen, uw bed is kurkdroog. Het ging prima.”

Vervolgens komt hij links van mij staan en buigt zich over de thoraxdrain die in een van de wondjes in de linkerzij ligt. Op gepaste wijze maak ik mij op om de verwijdering van de drain te begeleiden. De man probeert mij op voorhand gerust te stellen door te zeggen dat ik hier echt niets van voel. Ja, je voelt het wel. Kom nou, ik voel het toch. Maar echt pijn doet het niet. Daarna ga ik ontspannen en rustig ademhalen. Ik besef dat deze volgorde natuurlijk niet goed is.
Wat blijft zitten is het infuus in de halsslagader waar ik voorlopig nog morfine door krijg toegediend. Wat erbij komt is het telemetriekastje dat met vijf elektroden aan mijn lichaam bevestigd wordt. En zo wordt ik even later naar de verpleegafdeling gereden waar ik een eenpersoonskamer mag bevolken. Mijn kleren worden achter me aan meegezeuld. Dit is nu alles bij elkaar het vijfde vertrek waar ik in drie dagen tijd ben binnengebracht (opnamekamer, operatiekamer, recoveryruimte, Medium Care, verpleegafdeling). Het is wel een indrukwekkende route, maar of dit efficiënt en logistiek goed in elkaar zit, betwijfel ik zeer.

Vanmiddag komt Ellen langs die kan beginnen met het inruimen van de klerenkast. Ze kan weer meekijken als cardioloog Meine langskomt met zijn meetapparatuur. We hebben het uiteraard nog even over de geslaagde operatie, de uitgevallen morfinepomp en linkerarm. Interessant is zijn constatering dat er op 8 augustus een ‘bijna ingreep’ was van de pacemaker. Hij maakt een print van het hartrumoer op dat moment. Op de uitdraai is te zien dat het hart een aantal slagen van dik 90 heeft om plotseling over te gaan op een ritme van 200. Dat is de grens waarop de cardioloog een ingrijpen heeft geprogrammeerd met een ‘treintje’ elektrische stimulaties om het hart weer tot bedaren te brengen. Uit de print blijkt ook dat het hart al vrij snel uit zichzelf naar het normale ritme is teruggekeerd, anders had de pacemaker na drie seconden ingegrepen met een shock. Ik ben perplex van de mogelijkheden dat je dit allemaal kunt teruglezen. Veel later pijnig ik mijn hoofd over wat er op die achtste augustus allemaal aan de hand was dat ik bijna een ingreep kreeg. Het enige wat ik uit mijn agenda en aantekeningen kan teruglezen is dat ik helemaal gestrest was en zat te wachten op het verlossende bericht over de operatie, dat een dag later zou komen. Het had dus niet veel langer moeten duren.

Ik weet niet wie er het woordje “volleyballen” heeft laten vallen, maar ik heb heel voorzichtig begrepen dat het op den duur mogelijk is dat ik weer met dat balletje kan spelen. Eerst natuurlijk de eerste twee maanden uitdienen waarbij mijn linkerarm niet boven de schouder mag uitkomen. Dat zal ook wel volstrekt onmogelijk zijn nu de arm is uitgevallen. Maar op wat langere termijn is het niet uitgesloten dat ik nog eens binnen de lijnen kom te staan. Een en ander komt doordat de linker kamerdraad niet los in een kransslagader op het hart ligt, maar er daadwerkelijk op gefixeerd is. Hij kan niet losschieten zoals nu gebeurd is. Wat het ontslag betreft: daar gaat de cardioloog deze keer niet over. Dat is iets wat de hartchirurg bepaalt, zo laat hij me weten. In tegenstelling tot de vorige keer hoeft de hechtdraad er niet uitgehaald te worden. Hij zal geheel oplossen.

Ofschoon gisteren weer met de normale medicatie begonnen is waaraan een medicatie is toegevoegd om de ontlasting op gang te brengen, heb ik van dat laatste nog niets gemerkt, terwijl ik wel al geplast heb. Lopen doe ik amper want ik voel me toch een beetje duizelig. En ook de door Ellen meegebrachte kranten heb ik niet gelezen. Het leven hier is echt wel anders als thuis. Sommige mensen zetten in het ziekenhuis hun thuis voort. Ik ben hier lekker ziek. Dat is toch wat anders. Je moet je lichaam de tijd gunnen om ziek te zijn en om van daaruit weer beter te geraken. Maar om in het ziekenhuis te doen alsof er niets aan de hand is lijkt me een dubbele aanslag op het lijf. Je bent je lijf ontrouw. En dat ben ik veel te lang geweest. Met het hartinfarct in 1993 is er bij mij echt wel wat veranderd.

Vannacht is het de eerste nacht dat ik op een eenpersoonskamer de nacht inga. In ieder geval word ik niet wakker gehouden door patiëntengesnurk. Ik probeer voor het eerst heel voorzichtig op mijn linkerzij te liggen. Dat moet ik vrij snel opgeven vanwege te veel pijn van wonden en gekneusde ribben. Dus het wordt op mijn rug slapen en af en toe op mijn rechterzij, hoewel dat laatste weer een beetje gehinderd wordt door het telemetriekastje met zijn vijf draden. Woel ik er daar eentje los van, dan wordt er een alarm afgegeven en krijg ik bezoek. Tot laat in de avond is het erg rumoerig op de afdeling. Ik heb haast niet het idee in een ziekenhuis te liggen. Veel lawaai en hard gepraat. Een beetje jolige boel ook. In vergelijking met B4West waar ik voor de implantatie lag, lijkt dit meer op een kermis.

Als ik vrijdagochtend, de tweede dag na de operatie, nog wat wil blijven liggen, wordt me gauw duidelijk gemaakt dat ik de langste tijd hier gelegen heb. De zaalarts die op visite komt en mij meerdere malen de neuroloog en anesthesioloog aan bed belooft heeft, vervangt de hartchirurg en zegt dat ik vanmiddag, na het maken van een extra hartfoto naar huis mag. Ik moet nog de eerste ontlasting krijgen en het infuus met morfine hangt nog in mijn halsslagader. Dat gaat snel hier. Een verpleegkundige maant mij om te gaan lopen. Dat is goed voor mij. Het loopt wat gemakkelijker als ik van het infuus bevrijdt wordt, anders moet ik die morfinepomp hangend aan het loopstatief meezeulen. En daar heb ik iets tegen. Misschien komt dat omdat ik er niet tegen kan als ik bij de ingang buiten het ziekenhuis van die patiënten zie lopen die aan het infuus hangen en tegelijkertijd een sigaret staan roken. Dat zijn twee dingen die voor mij niet gelijkertijd kunnen. Op die manier heb ik wat tegen een ‘lopend infuus’ opgebouwd. Blijf daarmee lekker op je kamer liggen en ga daarmee niet door een ziekenhuis lopen en al helemaal niet naar buiten.

Tegen elf uur ben ik helemaal los van alles. Ik heb mij op bed gelegd omdat ik mij duizelig voel en wordt op zeker moment wakker als er een man in een chirurgen outfit mijn kamer binnenloopt.
“Goedemorgen mijnheer Janssen. Hoe gaat het met u?”
“Het gaat. Kon beter.” En voordat ik nog iets kan zeggen vervolgt mijnheer met:
“Het gaat niet goed met uw rechterarm begrijp ik”, en maakt met zijn hoofd een wijzende beweging naar mijn lichaamsdeel dat al geruime tijd buiten westen ligt. Razendsnel probeer ik deze man thuis te brengen. Iemand die ik nog niet eerder gezien heb, maar die wel al de status heeft doorgenomen.
“Ik herken uw gezicht, maar ik weet niet welke functie bij u hoort”, probeer ik.
“U kent mij niet”, zei hij gedecideerd, “want we hebben elkaar nog niet eerder ontmoet.”
Dat moet dan prof dr Van Herwerden zijn die ik vorige week benaderd heb vanwege de lange wachttijd. En voordat ik wat kan uitbrengen zegt hij: “Ik ben hoofd van de Afdeling Cardiologie.”
Ik laat hem merken dat ik weer helemaal bij ben. Hij vraagt aan mij of de neuroloog is langs geweest. Ik antwoord dat ontkennend.
“Heeft u een mitella gekregen?”
Met verbaasde blik schudde ik mijn hoofd. Vervolgens wil hij weten of ik instructies heb gekregen voor mijn arm.
“Nee, dat heb ik niet”, laat ik hem weten.
“Maar wat houd dat eigenlijk in, die instructies”, vraag ik nieuwsgierig.
“U moet daarbij slechts de volgende oefeningen doen om uw schoudergewricht los te houden,” en met de ene arm zich aan het bed vasthoudend maakt hij enigszins voorovergebogen met de andere arm naar beneden hangend, lichte ronddraaiende bewegingen. Verder moest ik niets doen.
“Ik zal zorgen dat er over veertien dagen voor u een afspraak bij de neuroloog wordt gemaakt.”

Hij komt mijn kant op om afscheid te nemen. We schudden elkaar de hand en ik bedank hem vriendelijk voor de moeite die hij genomen heeft om zich van mijn situatie op de hoogte te stellen. Even later hoor ik hem bij de balie het personeel duidelijk maken dat er voor mij over veertien dagen een afspraak moet worden gemaakt en dat ik een mitella dien te krijgen.
Natuurlijk doet mij dat goed dat er door iemand voor mij wordt opgetreden, dat er iemand zichtbaar en duidelijk leiding geeft waar dat kennelijk ontbroken heeft.
Ik ben de man erkentelijk voor zijn interventie en heb het zeer gewaardeerd dat hij enige uren voor mijn daadwerkelijk ontslag nog even op de verpleegafdeling langs komt om poolshoogte te nemen. Eigenlijk moet een hoofd afdeling cardiologie blindelings op zijn management, staf en het verplegend personeel kunnen vertrouwen. Ik vond het plaatsvervangend gęnant dat hij mij voordeed met welke oefeningen ik het herstel van mijn schouder en arm kan bevorderen. En dat hij voor een mitella ging zorgen en dat er een afspraak met de neuroloog werd gemaakt. De kwaliteit voor de zorg ten behoeve van de individuele patiënt moet in de dagelijkse praktijk toch niet bij het hoofd van de afdeling cardiologie liggen.

Aangezien ik mij geen onjuistheden of tekstuele onzin bij het schrijven van dit boek kan veroorloven over datgene wat op de operatie betrekking heeft, vraag ik enige uren voor mijn ontslag aan de dienstdoende verpleegkundige of ik een afschrift kan krijgen van het operatieverslag.
“Dat doen wij hier niet zo”, zei ze met een belerend toontje. Ze onthield mij de wetenschap hoe dat bij B4Oost dan wel zo gedaan wordt.
Ik vroeg haar of ik voor zo’n futiliteit mij soms tot het hoofd Cardiologie prof dr L.A. van Herwerden moest wenden. Ze beende naar de balie en kwam even later terug met de boodschap:
“U moet dat schriftelijk aanvragen bij de secretaresse van onze balie, cardiothoracale chirurgie.”
Waarop ik riposteerde: “Heeft die persoon soms ook een naam?”
“Agnes”, klinkt het afgemeten.
“Maar dat vind ik niet netjes om op de enveloppe slechts een voornaam te gebruiken, mag ik ook haar achternaam?”
“Dat moet u haar dan maar zelf vragen.”
Dit korte gesprekje is de bevestiging dat het hier niet erg pluis is op deze afdeling. En zeker niet wat betreft de houding tegenover de patiënten. Ik voelde mij in ieder geval niet serieus genomen.

Nu ik van alle slangen en draden bevrijd ben, kan ik weer eens gewoon naar het toilet zonder die standaard mee te slepen of dat telemetriekastje met die draden. Omdat ik vergeten ben een schone onderbroek mee te nemen kom ik met de beide broeken op mijn enkels de kamer op geschuifeld. Ik besef dat dit van achteren een lachwekkend gezicht moet zijn. Maar er is deze keer niets wat de stilte verstoord. Ik ga op de bedrand zitten en probeer met die ene levendige rechter arm, de broek uit te trekken en een nieuwe onderbroek over mijn voeten te schuiven. Ik haal de andere arm uit de mitella, want anders hindert deze in mijn overige bewegingen, ook al zijn die minimaal voor het omhoog schuiven van twee broeken. Uiteraard moet eerst de onderbroek omhoog, maar dat lukt mij niet met slechts die rechterarm. Wat nu? Ik pak de linkerpunt van mijn pyjamajasje en stop deze in mijn mond zodat ik beter zicht heb op mijn voeten en onderbenen. Ik haal een paar keer flink adem en doe een nieuwe poging. Dan loopt een traan over mijn wangen als ik merk dat er geen schot in komt. De broek komt wel ietsjes omhoog, maar zakt weer naar beneden als ik de rechter arm naar de binnenzijde verplaats om de onderbroek ook daar wat hoger te krijgen. Ik vloek en ben erg kwaad. Ik druk voor de laatste keer op de bel voor hulp. Daar zit ik dan op de bedrand met de broeken op mijn enkels. Kan ze niet eens omhoog krijgen. Wachten op hulp. Meer tranen banen zich een weg over de wangen. Hulpeloos ben ik, diegene die altijd alles wel even regelt en de regie in handen heeft. Één, twee zakdoeken heb ik nodig. De regie reikt niet verder dan de broeken op mijn enkels. Ik zit tien minuten zo. Vanaf de balie van de verpleegafdeling kan men mij door de openstaande deur zien zitten. Ik hoor wat geroezemoes en bel uit wanhoop nog eens. Niemand komt. In mijn naaktheid voel ik het als een vernedering en ben geheel en al aan hun lot overgelaten. Woede komt naar boven. Niemand moet nu in mijn buurt komen of ik zal ze eens een lesje over de dure zorg geven, waar elk menselijk aspect is wegbezuinigd en de aandacht voor de patiënt al lang door het toilet is gespoeld. Wordt ik hier teruggepakt omdat ik een kritische geest heb? Als ik tot bezinnen kom weet ik ook wel dat niet alle verpleegkundigen hetzelfde zijn. Maar waarom overkomt mij dit? Een kleine nieuwe verpleegkundige die net met de dienst is begonnen komt mijn kamer op. Ze zet de alarmbel uit en vraagt vriendelijk wat er aan de hand is. Ik vertel haar dat de broeken op mijn enkels liggen en dat ik ze niet omhoog kan krijgen.

“Zo mijnheer Janssen, wat is er dan aan de hand?” en ik begrijp hieruit dat ze inmiddels wel mijn naam weet, maar niets van wat er tijdens de operatie met mijn arm is gebeurd.
Ik moet er aan geloven dat ik vanmiddag naar huis moet. Dat Ellen me over een paar uur komt halen. De verpleegkundige die zo’n negatief stempel op de afdeling drukt heeft ons antwoordapparaat al ingesproken. Ik krijg een A-viertje met richtlijnen voor ontslag in mijn handen geduwd. Onder het kopje ‘Huisarts’ staat dat ik na 10 tot 14 dagen bij de huisarts moet langsgaan voor wondcontrole en om de hechtingen te laten verwijderen. Met een pen heeft ze beneden op dit formulier geschreven: ‘Hechtingen woensdag 22/8 laten verwijderen door de huisarts.’ Gevoegd bij datgene wat de cardioloog mij gisteren vertelde heb ik nu drie verschillende lezingen over het wel of niet verwijderen van de hechtingen. Ook het tijdstip loopt controleerbaar uiteen. Het is allemaal niet zo gewichtig, maar ook dit zegt weer iets over de betrachte zorgvuldigheid.

Ook krijg ik van haar een verwijskaart overhandigd waarop vermeld is mijn eerste bezoek bij de cardioloog eind oktober, met daarop een met de pen gebrachte aantekening “nuchter voor elektrofysiologisch onderzoek”, zoals die controle door de cardioloog kennelijk wordt aangeduid. Later bleek men bij de balie van de afdeling electrofysiologie hartelijk te moeten lachen om nuchter bij de cardioloog te verschijnen. Ook de cardioloog moest zijn schouders ophalen.
Als de verpleegkundige later, vlak voor mijn vertrek nog een keer de kamer opkomt vraag ik haar welke medicijnen ik vandaag thuis nog moet slikken. Ik heb immers niet bijgehouden welke medicatie ik hier dagelijks innam. Ik heb gebroken met mijn gedrag toen ik dat nauwgezet deed bij de opname voor de implantatie en over de medicatie nogal wat woorden met een verpleegkundige heb gewisseld. Deze keer heb ik me er bewust niet meer mee bemoeid en de verantwoordelijkheid gelaten daar waar hij behoort te liggen, bij het verpleegkundig personeel.
”Wat u altijd thuis slikt”, is haar reactie.
Zij wil natuurlijk mijn vraag niet begrijpen. In dit soort situaties lijk ik onvermoeibaar. In goed Nederlands probeer ik haar de vraag duidelijk te maken, aangezien men hier een ander innameschema heeft aangehouden dan ik thuis gewend ben.
“Mevrouw, het gaat hierom, dat ik niet heb bijgehouden welke medicijnen ik tot op heden vandaag heb ingenomen. Als ik dat wel weet, kan ik ook weten welke medicijnen ik thuis nog moet innemen.”
“Ja, dat weet ik ook niet.” En voor het eerst zie ik alle zekerheid bij haar wegebben en lijkt ze een gewoon mens. Ze schudt wat met haar bovenlijf en roept dan vertwijfeld uit:
“Dat moet ik dan bij de balie helemaal gaan uitzoeken”, zo etaleert ze haar tegenzin. Ik krijg een beetje medelijden met haar. En voordat ik het besef zeg ik:
“Laat maar”, hetgeen voor haar een grote opluchting is en ze beent de kamer uit.
Ik besef dat ik een grote oen ben en helemaal niet didactisch ben geweest. Nou heeft die verpleegkundige door mijn stomme schuld geen leermoment ervaren. Ik ben niet eens een fractie zo hard geweest als zij deze 24 uur, dat ik hier gelegen, heb tentoonstelde. Voor mij is dit wel een leermoment. Niet te gauw toegeven en zeker niet als de situatie mededogen oproept. Ik heb mezelf er mee, want wat moet ik straks thuis nog innemen? Zij hoefde het voor mij niet uit te zoeken. Wat ben ik een kloothommel.

Als Ellen komt moet ze nog alles inpakken. Ik wil niet dat zij met de trolley het ziekenhuis verlaat. Ik wil dat ding met mijn gezonde rechterarm voorttrekken. Op weg naar de uitgang biedt ze me wat lekkers aan in een van de restaurants. Ik krijg het idee dat ik echt wat lekkers mag uitzoeken. Maar ik weiger. Ik sta perplex van mezelf. Nooit heb ik iets afgeslagen en zeker niet als ik zelf wat lekkers mag uitzoeken. Met een brok in mijn keel maak ik Ellen duidelijk dat ik naar huis wil. Ellen begrijpt, zonder dat ik nog een toelichting geef, dat ik zo gauw mogelijk dit ziekenhuis wil verlaten, alsof hier iedereen schuld heeft aan de behandeling bij de Cardio Thoracale Chirurgische verpleegafdeling. Maar ik heb het gehad en dan is elke steen van dit ziekenhuis als alle andere. Niet eerlijk, maar ik voel het wel zo.
Als we thuiskomen en ik uit de auto stap moet ik de buren eerst gaan uitleggen wat er aan de hand is. Ze zien een mitella om mijn nek hangen:
“Maar Janssen, je ging toch voor je hart naar het
umcu?”
“Dat is zo beste mensen, maar ik leg het jullie nog wel uit.”
Familie, vrienden en bekenden willen weten hoe het zit. Ellen en ik maar uitleggen en toelichten. Het kost veel energie, koffie en koek.

 
(Naar boven)

© Copyright 20009 - 2013  J.M.J.F. Janssen - Hilversum